Tussen wet en daad staat de moraal - waarom niet alles gezegd mag worden

Het Westen, dat zich graag superieur opstelt tegenover de 'achterlijke' islamitische cultuur, gedraagt zich in het debat over de Deense spotprenten immoreel.

Het debat over de Deense spotprenten heeft ons niet veel wijzer gemaakt. We zijn ruim geïnformeerd over het verloop van de kwestie, er zijn veel zinnige dingen gezegd, maar nu het einde van de discussie in zicht komt, blijven we met lege handen achter. Er wordt niet geconcludeerd.

De reden is niet moeilijk aan te geven. Wie er ook aan het woord zijn geweest, van prominente regeringsleiders tot provinciale columnisten, bijna zonder uitzondering plachten ze op twee gedachten te hinken. Ze prezen de vrijheid van meningsuiting als een unieke Westerse verworvenheid, een klassiek grondrecht zelfs, maar ze vroegen zich in één adem af of met name geloof en godsdienst niet met wat meer respect bejegend moeten worden. En daarmee werd dan volstaan, zonder de knoop door te hakken.

Onbevredigend was ook dat in de weinige gevallen dat een keuze werd gemaakt, dit zeer eenzijdig gebeurde. Er was niemand - tenminste in de Westerse wereld - die het recht op vrije meningsuiting resoluut opzij zette, maar er waren wel een paar deelnemers aan het debat die het betrachten van enig respect overbodige luxe vonden. In hun ogen was de vrijheid van meningsuiting een absoluut recht.

Sommigen formuleerden het nog uitdagender. Men sprak van ,,een recht op een karikatuur van God te maken' (France Soir), een 'recht op blasfemie' (Die Welt) of om 'religie te ridiculiseren' (Søren Espersen, Deens rechts-radicaal) en van een recht om te beledigen als ,,basis van onze cultuur' zoals Hirsi Ali beweerde, daarin bijgevallen door VVD-fractievoorzitter Van Aartsen.

Polemisch gezien is het allemaal aardig gevonden, maar in feite gaat het om een bedenkelijk woordenspel. Door de vrijheid van meningsuiting op deze manier te verbijzonderen, miskent men de bedoeling van de wetgever zoals die onder meer in antidiscriminatiewetten tot uiting komt.

Interessanter dan deze retoriek zijn evenwel de argumenten die eraan ten grondslag liggen en die al jarenlang tegen de moslimwereld worden aangevoerd. Laat ik een korte opsomming geven.

Ten eerste is daar de willekeur: 'We moeten laten zien wie hier de baas is', (Geert Wilders); 'Tegen de islamitische landen zeg ik: bereid je maar voor. Wij gaan de profeet tekenen, wij gaan films over hem maken en wat al niet meer. Gewoon, omdat we dat hier nou eenmaal doen', (Hirsi Ali).

Als tweede de provocatie: de reactie op de spotprenten maakt de achterlijkheid van de islam duidelijk.

Ten derde het paternalisme: de islam moet veranderd worden, de moslims moeten bevrijd worden, dat is onze plicht.

Dan is er de koppigheid: 'Gas terugnemen? Nee, want dan geef je een heel verkeerde boodschap aan de extremisten. Dan zeg je: jullie hebben gewonnen.' (Afshin Ellian).

Ten slotte werd over Submission I het volgende geschreven: 'Eigenlijk een heel voorzichtige film. Wat zagen we nu helemaal: een vrouw in een grote onderbroek', (Leon de Winter); Twee maanden later Elsbeth Etty, door dezelfde dameslingerie gefascineerd: ,,Mijn eerste reactie was: is dit nou alles? Een naakte vrouw in een te grote onderbroek.' En over de Deense prenten: 'Wij vonden het vrij onschuldige plaatjes', (Folkert Jensma).

Wat er van deze reacties ook te zeggen is, ze zijn in ieder geval hoogst onwelwillend. Men weet niet hoe de andere partij de beledigingen heeft ervaren en men is er eigenlijk ook niet in geïnteresseerd. Men kiest voor het eigen gezichtspunt en het eigen belang, doorgaans onberedeneerd ('ze hebben het maar te vreten'). Het zijn, kortom, domme en onbeschaafde reacties die als morele oordelen ver onder de maat blijven.

In sommige gevallen wordt de andere partij bewust op de huid gezeten, bij wijze van provocatie of paternalistische bemoeizucht. Helaas ontbreekt het daarbij aan enig realisme. De idee dat harde standpunten moslims tot andere gedachten over hun geloof zullen brengen en dat als honend bedoelde uitspraken en beelden effectief zullen zijn, is al langere tijd illusoir gebleken. Zo zijn de reacties onder moslims op het filmpje Submission I wereldwijd negatief tot zeer negatief geweest, maar het heeft de plannen tot het uitbrengen van vervolgfilms niet in het minst beïnvloed. Hetzelfde geldt voor de Deense spotprenten: zelfs zeer gematigde (deels in het Westen opgegroeide) moslims hebben de prenten unaniem als beledigend afgekeurd. Toch hebben sommige Westerse media voor verdere verspreiding gezorgd, niet om het publiek te informeren maar om de moslimwereld te tergen.

Onze conclusie is dan ook dat het beroep op de vrijheid van meningsuiting in deze gevallen louter een voorwendsel is, een doorzichtige maar ontoereikende rechtvaardiging van de ware bedoeling: de andere partij zoveel mogelijk te beledigen en te vernederen. Het Westen, dat zich graag als superieur van de 'achterlijke' islamitische cultuur wenst te onderscheiden, maakt zich hier schuldig aan verwijtbaar immoreel gedrag dat op geen enkele manier valt goed te praten.

Ook niet door de moslims te adviseren een voorbeeld te nemen aan de christelijke bevolkingsgroep die zich zelfs over de grofste beledigingen niet (meer) pleegt te beklagen. Wie de publieke moraal een goed hart toedraagt, zal geneigd zijn het tegengestelde standpunt te betrekken en het christelijk volksdeel te verwijten zich al te schaapachtig te schikken naar hufterigheid van sommige van hun medeburgers.

Wat ik in grote lijnen wil betogen, is in een recent hoofdredactioneel commentaar in deze krant fraai verwoord in een korte opmerking die als aforisme bewaard zou moeten blijven: 'Tussen wet en daad staat de moraal.'

Inderdaad schiet de wet tekort en moet hij tekortschieten. Het bekende adagium, dat voor klagers de weg naar de rechter altijd openstaat - onlangs ook door onze premier weer gecolporteerd - is een gotspe. Iedereen weet dat in de huidige context geen Nederlandse rechter bereid is tegen blasfemische films of beledigende tekeningen op te treden. De bescherming van gelovigen kan derhalve niet aan de wet worden toevertrouwd, maar vraagt om een publiek-morele code. Minder ambitieus: naast de wet dient de moraal in het verkeer tussen bevolkingsgroepen een meer vitale functie te krijgen.

Tot slot een waarschuwing aan het adres van degenen die dit gepraat over moraal en ethiek hooguit van academisch belang achten. Het tegendeel is het geval. Binnen het tijdsverloop van enkele jaren zijn er in ons land en in andere delen van Europa ernstige spanningen tussen grote bevolkingsgroepen aan het licht gekomen. Verdere escalatie is alleen te voorkomen, indien we erin slagen de massa van de gematigden aan beide zijden van de kloof te winnen voor een politiek van de-escalatie.

Dat zal alleen kunnen lukken als we de gevoeligheden van de gematigden ontzien en de fanaten in beide kampen naar vermogen in de tang nemen. De huidige relativistische moraal van 'alles mag gezegd worden' zal daaraan moeten worden opgeofferd. Gezien de zaak die op het spel staat, geen groot verlies.

Oud-hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit.