Snelle speeltjes voor miljardairs

Wat wil een miljardair die alles al heeft? Een deeltjesversneller! En dan liefst een van puur goud.

Ik kon mijn ogen niet geloven toen ik het krantenbericht las. De vermaarde tycoon James Simons, de schrik van Wall Street, gaat een natuurkundig experiment redden. In de RHIC-versneller in de Verenigde Staten worden goudatomen met ongelooflijke energie tegen elkaar geslingerd. Met deze omgekeerde alchemie kan een oersoep worden gebrouwen, die sinds de big bang niet meer heeft bestaan. Toen bezuinigingen het project dreigden te stoppen, trok Simons zijn portemonnee en gaf 13 miljoen dollar om de metingen te kunnen voltooien. Nu kan hij zijn goud met de lichtsnelheid laten rondvliegen.

Wie is deze Simons en vanwaar deze interesse? De 67-jarige financier is een mysterieuze man, die alle publiciteit mijdt. Hij zou zó in een James Bondfilm passen, maar dan niet als schurk, maar als weldoener. Dr. Yes in plaats van Dr. No.

In financiële kringen is Simons een fenomeen. Vorig jaar was hij de op een na grootste veelverdiener op Wall Street, goed voor bijna een miljard. Zijn bekendste fonds heeft de laatste vijftien jaar een gemiddeld groeipercentage van 33 percent weten te boeken, dwars door alle bubbels en krachs heen. Veel prestigieuze Amerikaanse universiteiten hebben dan ook hun vermogen bij hem belegd. De provisie is trouwens niet kinderachtig: ieder jaar neemt hij 5% van de inleg en 44% van de winst. En mocht u interesse gekregen hebben: helaas, het loket is al lange tijd gesloten.

Om zijn succes te begrijpen, moeten we teruggaan naar het begin van zijn loopbaan, en wel naar de eerste twintig jaar toen hij als zuiver wiskundige werkte - en beslist niet de minste, 'iedereen' kent de zogenaamde Chern-Simons-theorie. Hij was tevens een krachtige bestuurder. Aan de universiteit van New York in Stony Brook bouwde hij als voorzitter een hoog aangeschreven mathematisch instituut op. In deze tijd leerde hij de blijvende waarde van getallen kennen.

Wat is het geheim van Simons? Ik heb een aantal collega's die voor hem zijn gaan werken - hij heeft een onverklaarbare voorkeur voor snaartheoreten - en, hoewel het er allemaal erg geheimzinnig aan toegaat, laten ze wel eens iets doorschemeren. Zo werken ze volledig blind. Ze analyseren gegevens, maar niemand weet over welk bedrijf het gaat. Ze mogen dan ook niet naar interessante conferenties om eens lekker de laatste beursroddels uit te wisselen. Dat leidt alleen maar af. Alleen de kale cijfers tellen. Geen noodzaak dus om krijtstreeppakken, haarcrème en bretels aan te schaffen en de Michael Douglas-imitatie op te poetsen. Bij Simons speelt je hele leven zich af in de bossen van Long Island in plaats van in de wolkenkrabbers van Manhattan.

Het enige waar men op let, zijn subtiele verbanden tussen de koersen en allerlei andere gegevens. En het doet er daarbij niet toe of de aandelen omhoog of naar beneden gaan, zolang er maar beweging in zit. Toen Simons een keer als grapje zei dat er bijvoorbeeld een relatie met het weer zou kunnen zijn, rende een van de toehoorders direct naar de telefoon om deze boodschap door te bellen: Het is het weer! Hij doet het allemaal met het weer!'

Simons heeft zich ontpopt als de meest genereuze mecenas voor zuiver onderzoek in de wis- en natuurkunde, niet alleen in de Verenigde Staten, maar bijvoorbeeld ook in Frankrijk. Maar hij is zeker niet de enige. Zo is er de Canadese uitvinder van de Blackberry. Dat is geen exotische bessensoort, maar een soort mobieltje waarmee je e-mail kunt lezen en beantwoorden. Vroeger zag je daar alleen de studiobazen in Hollywood mee rondlopen, maar nu heeft ook onze minister-president er een. Met een schenking van honderd miljoen dollar heeft de Blackberryman een gloednieuw instituut voor theoretische fysica opgericht, compleet met sauna, squashzalen, bistro en wel tien espresso-apparaten, zodat er genoeg cafeïne is om 's ochtends de grijze cellen in beweging te brengen. En de honderd miljoen? Die staat nog steeds keurig geparkeerd op de bank, want voorlopig zijn de bijpassende overheidsgelden voldoende om het instituut draaiend te houden. En ieder weekend zit het prachtige auditorium volgepakt met een lekenpubliek dat geniet van populaire voordrachten over zwarte gaten en de oerknal.

Nu is dit soort industriële adel met een interesse voor zuivere wetenschap maar moeilijk te vinden in Nederland. Daar moet je ver voor reizen, heel ver, wel helemaal naar Brussel. Jawel, daar kijkt u misschien van op, maar België kent een aantal belangrijke privé-fondsen. (Dit is niet de eerste keer dat onze zuiderburen ons rechts inhalen.) Zo werd afgelopen december een reprise van het befaamde Solvay-congres gehouden. De familie Solvay, oprichter van het bekende chemieconcern, heeft een hartverwarmende liefde voor de wetenschap en steunt deze graag in elegante stijl. Bij het eerste congres in 1911 was de quantumtheorie het grote punt van debat. Initiatiefnemer en filantroop Ernest Solvay, die zijn kapitaal had verdiend met een methode om soda uit ammoniak te maken, gaf daar toen een voordracht over zijn eigen theorie, met Einstein, Planck en Madame Curie in het publiek. Ook dit keer zat de balzaal van het chique Brusselse hotel Métropole weer vol met Nobelprijswinnaars.

Een andere grote Belgische wetenschappelijke weldoener is de Francqui Stichting, opgericht door de staatsman Emile Francqui met behulp van zijn uitstekende contacten met de Amerikaanse president Herbert Hoover. Samen hadden ze tijdens de Eerste Wereldoorlog een humanitair programma opgericht om de bevolking van het bezette België te helpen. Nu reikt deze zeer vermogende stichting het Belgische equivalent van de Spinozaprijs uit en financiert leerstoelen en conferenties.

Maar toegegeven, al deze fondsen stammen uit het begin van de twintigste eeuw, toen Europa nog de wereld leidde in onderzoek en industrie. Op dit moment moet je in de Nieuwe Wereld zijn om dergelijke sympathie uit het bedrijfsleven te vinden. Zo wordt het Delftse Instituut voor Nanowetenschappen, waaraan natuurkundige coryfeeën als Hans Mooij en Cees Dekker verbonden zijn, als enige instelling buiten de Verenigde Staten door de Amerikaanse industrieel Fred Kavli ondersteund. Toch een beetje Nederland als ontwikkelingsland.

Vergelijkbare fondsenwerving bestaat in Nederland nauwelijks. Het innovatieplatform heeft onderzocht waarom er zo weinig belangstelling is vanuit de privé-sector om de wetenschap te steunen. Daar spelen belastingsregels, traditie, cultuur en een verslaving aan overheidssteun een rol. Maar volgens mij is er ook iets anders aan de hand. Er is onvoldoende besef van het belang van investeringen in de lange termijn en van de grote rendementen die zo mogelijkerwijs geboekt kunnen worden. Met een heel groot woord: eeuwigheidswaarde.

Want is het niet opvallend, dat juist in deze tijd, waarin de hele wereld de mond vol heeft van innovatie en industriële toepassingen en waarin onderzoek pur sang helemaal uit de gratie lijkt, dat juist nu een industriële innovator bij uitstek als James Simons de fundamentele wetenschap gaan steunen? Dat hij nota bene zelf een deeltjesversneller gaat betalen. Hij zou toch beter moeten weten?

Misschien ligt de oplossing van deze paradox besloten in het antwoord dat Simons gaf, toen hem werd gevraagd hoe het voelde om, na een leven in de ijle atmosfeer van de zuivere wiskunde, nu midden in de echte wereld te staan. De wiskundige wereld komt mij veel echter voor dan de financiële wereld.'