Rosiri (21): Rijles

Rosiri droomt van swingend Heerlen. Feuilleton van Iris Koppe over een modern kind van gescheiden ouders

Het was elf uur 's avonds toen Ton de Lutmastraat inreed. Hij zat achter het stuur van een Defender. Op nummer achtentwintig woonde Rosiri. Ton had haar al zeker een maand niet gezien en hij verlangde naar het meisje. De laatste keer was op de combi-plate aan de Josef Israelskade, waarna hij een smsje had ontvangen dat Rosiri een heftige blaasontsteking had opgelopen en niet meer kwam oppassen bij hem en zijn vrouw.

Ton had een paar weken niet aan haar gedacht, maar plotseling was het gaan knagen. Niet alleen vond hij het zielig voor zijn zoontjes, die het heerlijk vonden als Rosiri ze over hun rug kietelde voor ze naar bed moesten, ook besefte Ton dat hij meer was gaan voelen dan hij na die paar wippen in eerste instantie dacht. Hij droomde 's nachts over Rosiri en op straat zag hij haar overal lopen.

Met zijn Defender reed hij zachtjes tegen de stoep aan. Waarom nam Rosiri nou niet op? Ze zou toch nog wel wakker zijn? Ton was in een crisis geraakt, waarin niet duidelijk was of hij nog van zijn vrouw hield of niet. Hij deed nooit wat leuks met haar, elk gesprek ging over de kinderen en wie die avond thuis zou blijven om ze in bed te stoppen. Misschien was het zijn leeftijd, de beperktheid van zijn bestaan, de teleurstellingen in zijn werk of het vrijen met Rosiri. Nergens had Ton meer zin in en hij voelde zich steeds beroerder.

Om half twaalf overwon hij zijn angsten en belde aan. 'Schoenen uit', gilde Rosiri van vierhoog. 'En kop dicht, want m'n moeder slaapt.'

Ton wist niet dat Rosiri sinds het huwelijk van haar vader met een neger uit Heerlen smste. De Limbo stuurde haar gemiddeld vijf berichten per dag en had haar voor aanstaand carnaval bij hem thuis uitgenodigd. Rosiri wilde op kamers en hield de mogelijkheid open om direct bij de neger in te trekken als het haar daar beviel. Haar vaders huis was onbegaanbaar gebied geworden sinds zijn nieuwe vrouw. Bij haar moeder verveelde ze zich dood, want die was óf naar yoga óf naar koor óf ze deed haar avondstudie. Rosiri had het sowieso een beetje gehad met Amsterdam en wilde meer van haar land zien.

Ze was onrustig en ging veel uit. Als kind van gescheiden ouders sliep ze zelden langer dan twee nachten in hetzelfde bed. Ze was als kind gewend geraakt om vier keer per week schoon ondergoed in te pakken. Wanneer ze dan door de week ook nog bij vriendinnetjes logeerde, had haar moeder het wel eens over een nomadenbestaan. Rosiri fantaseerde hoe het zou zijn als ze met die knappe Limboneger zou samenwonen. Wat zou het heerlijk zijn om al haar spullen op één plaats te hebben!

Ton gaf Rosiri drie kussen bij binnenkomst. Eigenlijk wilde hij haar tegen zich aandrukken. 'Ik mis je zo', stamelde Ton. 'En ik wil je zo graag iets geven. Iets waardoor je af en toe toch nog aan me denkt.' Rosiri zette de muziek zachter en draaide de kraan dicht. De ogen van de treurige veertiger maakte haar niet warm of koud. Ze dacht aan het swingend stadscentrum van Heerlen, waar haar neger over had verteld. Ton legde zijn handen op de heupen van Rosiri. Maar hoe kreeg ze in godsnaam al haar kleren en boeken daarheen?

Ton drukte zijn lippen op de mond van Rosiri. Ze draaide hem haar wang toe en riep: 'Ik weet het! Je moet me rijlessen geven!' En ze ging verder met de afwas. Wordt vervolgd...