'Persvrijheid' is niet alleen Westers

Vrijheid van meningsuiting afschilderen als een typisch Westerse waarde, maakte het autoritaire regimes in het Midden-Oosten makkelijker zich daartegen te keren.

Als straks de storm gaat liggen en de protesten verstommen zou wel eens kunnen blijken dat in de Arabische en islamitische wereld de persvrijheid - vaak afwezig of op z'n minst broos te noemen - slachtoffer is geworden van de huidige cartoon-confrontatie.

Sommige media en politici in Europa duiden persvrijheid aan als een typische westerse, superieure waarde, onbegrepen in de islamitische wereld. In veel Arabische landen speelt deze voorstelling van zaken de tegenstanders van persvrijheid in de kaart. De discussie in het Westen gaat over de grenzen van persvrijheid en religieuze tolerantie. Door het conflict over de spotprenten voor te stellen als een soort Huntingtoniaanse botsing van culturen, zou men haast vergeten dat in de Arabische wereld in wezen dezelfde discussie aan de orde is.

Feit is dat in de Arabische wereld talloze journalisten en intellectuelen opkomen voor persvrijheid. Feit is ook dat diezelfde persvrijheid dagelijks met voeten wordt getreden, niet alleen door de autoritaire regimes maar ook door ondemocratische politieke en religieuze groeperingen - fundamentalistisch of niet - en door conformistische journalisten en de media zelf.

Het belang van vrije media en meningsuiting in de Arabische wereld is bevestigd in een drietal rapporten van het United Nations Development Programme (UNDP), het Arab Fund for Economic and Social Development en het Arab Human Development Report uit 2002, 2003 en 2004. In deze rapporten, niet opgesteld door westerse neocons maar door een keur aan Arabische intellectuelen, wordt een dramatisch beeld geschetst van het gebrek aan ontwikkeling in de Arabische wereld.

In het Midden-Oosten en Noord-Afrika is het tekort aan vrijheid van meningsuiting, media en vereniging - kortom het gebrek aan vrijheid - een van de belangrijkste redenen voor de politieke, sociale en economische stagnatie.

De 'Sana'a Verklaring' van tien jaar geleden is inmiddels het handvest voor Arabische journalisten geworden die opkomen voor de persvrijheid. Maar er is tot dusverre weinig ten goede veranderd. Journalisten in Algerije, Jemen en Jordanië die de euvele moed hadden iets van de Deense cartoons te laten zien in hun kranten werden gearresteerd. In praktisch alle gevallen werd een aantal tekeningen wazig afgedrukt, met een kruis eroverheen of werden slechts fragmenten weergegeven. De begeleidende teksten veroordeelden de Deense spotprenten als godslastering. Toch werd in Jemen aan drie weekbladen die zich aan de cartoons bezondigd hadden vorige week een verschijningsverbod opgelegd en werden leidinggevende journalisten van de kranten gearresteerd. De Jemenieten zullen het voorlopig zonder de Yemen Observer, Al Hurryia en Al-Rai al-Aam moeten stellen. In Algerije werden de weekbladen Errisala en Iqraa gesloten.

De publicatie van de prenten in oktober in de Egyptische krant Al Fagr en vorige maand in de Jordaanse weekbladen Al-Mehwar en The Star en het Jordaanse dagblad Al Ghad trok in eerste instantie nauwelijks aandacht. Na het uitbreken van de rellen werd de hoofdredacteur van Al-Mehwar gearresteerd evenals zijn collega van het weekblad Shihan, dat een aantal van de cartoons op 2 februari publiceerde 'om het verzet er tegen te mobiliseren'. Beide journalisten, inmiddels op borgtocht vrij, moeten deze week voorkomen op beschuldiging van 'belediging van God'.

De persvrijheid in Arabische landen wordt vaak vergeleken met een bewegend plafond: als de politieke omstandigheden het toestaan gaat het omhoog en neemt de vrijheid toe, in meer sombere tijden gaat het plafond omlaag. Zonder twijfel gaan de plafonds in de meeste landen nu weer neerwaarts als gevolg van de cartoon-affaire. In Jordanië was het Center for Defending Freedom of Journalists (CDFJ) de enige organisatie die, met juridische en publicitaire steun, opkwam voor de twee gearresteerde journalisten. Volgens CDFJ mag persvrijheid nooit misbruikt worden om de profeet Mohammed te bespotten, maar dat is nog geen reden om journalisten in het gevang te stoppen.

Het is voor organisaties als CDFJ lastig en eenzaam manoeuvreren om op te blijven komen voor persvrijheid en tegelijkertijd de religieuze gevoeligheden te ontzien. Het probleem is dat persvrijheid, uitgelegd als westers concept waarbij je als journalist kennelijk het recht hebt vrijelijk aan godslastering te doen, simpelweg niet uit te leggen valt en koren op de molen is van de talrijke tegenstanders van meer vrijheid en openheid. Eerder al was persvrijheid 'op z'n Amerikaans' in diskrediet gebracht door de Amerikaanse beschietingen in Irak en Afghanistan van Al-Jazeera kantoren, het om- of opkopen van de Iraakse media door het Amerikaanse ministerie van Defensie en het opzetten van zenders als Sawa en Al-Hurra, die in feite dezelfde soort propagandistische journalistiek bedrijven als de Arabische staatszenders.

In veel Arabische landen fungeren media als propagandawerktuig en uitlaatklep, niet als een onafhankelijke watchdog. Journalistieke opleidingen zijn zwak, er wordt weinig gedaan aan beroepstrainingen en er is onvoldoende vrijheid voor debat en dialoog. De Arabische collega's die opkomen voor meer professionaliteit - met als trefwoorden nauwkeurigheid, objectiviteit, evenwichtigheid en nieuwswaardigheid - en voor meer persvrijheid verdienen juist nu steun. Persvrijheid en journalistieke professionaliteit is tenslotte niemands alleenrecht.

Coördinator van het Arabische Programma van Free Voice, een media-organisatie die zich inzet voor persvrijheid in Afrika, Azië, Latijns-Amerika en Oost-Europa. Oud-correspondent in het Midden-Oosten.