Overstemd door de luidsprekers

Indonesië, 's werelds grootste moslim-natie, is sinds acht jaar een democratie. De Indonesische islamtraditie van tolerantie en terughoudendheid wankelt. Hier en daar worden de leefregels van de sharia behoedzaam ingevoerd. Schande, zeggen tegenstanders. 'Indonesië is een seculiere staat'.

Voormalig president en islamgeleerde Abdurrahman - Gus Dur - Wahid Foto AFP Indonesia's former president Abdurrahman Wahid laughs as he talks to the press at a Muslim conference in Jakarta 24 February 2004. Wahid who was sacked as Indonesian president in 2001 said Tuesday he is seeking a second chance to prove he is capable of running the country. Wahid said legislators had accused him of incompetence and dismissed him in July 2001 because they could not prove their accusations that he was engaged in corruption. AFP PHOTO/ADEK BERRY AFP

Op het plein voor de moskee is het dringen deze vrijdag. De gemeenschap heeft zich in een grote kring op de grond genesteld. In het midden zit moederziel alleen een jong meisje op haar knieën. Naast en vooral boven haar staat een rijzige man, in het zwart gekleed, helemaal gesluierd. En met een grote stok dreigend in de aanslag.

Ze is betrapt, kussend met een vriendje. De scène oogt angstaanjagend. Maar dan zijn daar op de achtergrond vrolijke familieleden te zien, het fototoestel in de aanslag. En de beul, zo blijkt vervolgens, doet alsof hij slaat. Het blijft bij het gebaar. Pijnlijk genoeg voor het arme kind, maar het doet in elk geval niet zeer.

Het tafereel wordt vastgelegd door beroepsfotografen, het speelt zich af in Banda Atjeh - hoofdstad van de bijna-autonome provincie. Het is nieuw en het kan ook alleen maar daar.

Maar het is tegelijkertijd een van de vele uitingen van de gedrevenheid om met islamitische geschriften in de hand deze grootste moslim-natie ter wereld opnieuw vorm te geven. Het gebeurt aarzelend, dubbelzinnig. Nu eens met een wilde actie waar iedereen dan weer van schrikt, dan weer met subtiele manoeuvres, die niet eenduidig zijn. De ene dag roept een groot moslim-leider op tot invoering van de moslim-wetten van de sharia, de andere dag bepleit hij om de nationale traditie van de scheiding van kerk-en-staat in ere te houden. Nu eens kijkt de politie de andere kant uit wanneer radicale moslims andersdenkenden het huis uitjagen, dan weer grijpt het plaatselijke gezag in.

Het is ook een beetje de ervaring van Muhammed Mu'im, in het dagelijks leven studiebegeleider aan een economische faculteit in Bandung, maar in zijn vrije tijd aanvoerder van een groepje fanatieke moslims die de politie graag een handje helpen. Zo hadden ze vorig jaar een aantal winkels schoongeveegd die alcohol verkochten na sluitingstijd. Toen ze er een stuk of twintig hadden aangepakt, greep de politie onverwacht in. Mu'im: 'Ik begrijp er niets van, eerst heb ik nog gegeten met de politie-chef en een paar weken later maken ze een verdachte van me.'

Indonesië is sinds een kleine acht jaar een democratie-in-aanbouw en het is ook een betrekkelijk los samenraapsel van eilanden en volken. De ergste burgeroorlog-achtige toestanden, vooral op Sulawesi en op Ambon, zijn inmiddels voorbij (hetgeen overigens meer dan 10.000 mensen het leven heeft gekost) en er is sinds anderhalf jaar een president, Yudhoyono, die het heel behoorlijk doet. Maar het centraal gezag heeft aan betekenis ingeboet. Er is sprake van een machtsvacuüm, waardoor islamitische organisaties zich breed kunnen maken.

Vluchtheuvel

'Er is hier een onzekere politieke situatie, een schreeuwend gebrek aan wetshandhaving en een voortdurende economische ellende voor grote delen van de bevolking. Religie wordt dan een vluchtheuvel.' Dit zegt Syafi'i Anwar. Hij heeft een interessante studie geschreven, De Staat en de Islam in Indonesië, hij is directeur van het Internationale Centrum voor Islam en Pluralisme in Jakarta en prominent representant van de liberale vleugel in de islam. Syafi'i heeft onderzocht wat de gevolgen zijn van de grotere autonomie voor de regio's en hij vindt de ontwikkeling zorgelijk: 'Het leidt tot een sluipende invoering van de sharia op allerlei plekken in het land. Neem een stad als Padang, op Sumatra. Daar willen ze nu zelfs dat een vrouw zich na negen uur 's avonds niet meer op straat vertoont. Het stadsbestuur haalt dat uit islamitische geschriften, maar volgens mij is het gewoon een schending van de rechten van de mens.' Op dezelfde manier is de onrustige provincie Atjeh drie jaar geleden ook aan zijn eigen sharia-voorschriften gekomen, afwijkend van de rest van het land.

Padang op West-Sumatra is illustratief voor de huidige ontwikkeling. Twee jaar geleden stelde de burgemeester er met steun van praktisch de hele gemeenteraad het dragen van hoofddoeken voor schoolgaande kinderen en gemeentepersoneel verplicht. Ook moet iedereen een aantal Koranverzen kunnen opzeggen. Voor de burgemeester is het eenvoudig: 'Als de mensen hier vromer worden dan weten ze beter het verschil tussen goed en kwaad. Dan wordt het hier veiliger, minder jeugdcriminaliteit en dat is goed voor de ontwikkeling van onze regio. Ga dat nou niet politiseren, de sharia helpt mensen alleen maar.'

Het verschijnsel komt vaker voor. Het stemt niet altijd overeen met de nationale wetten. Het is ook ronduit vervelend voor de kleine christelijke minderheid in Padang en voor sommige actievoerende vrouwen-organisaties, maar toch gebeurt het. In Padang, hier en daar op West-Java en in het zuiden van Sulawesi.

In zijn analyse beschrijft Syafi'i niet alleen hoe islamitische organisaties het politieke vacuüm hebben gevuld, maar wijst hij vooral naar de invloed uit het Midden-Oosten. Tientallen jaren lang zijn Indonesische studenten naar universiteiten in het Midden-Oosten gegaan, meestal betaald door Saoedi-Arabië en van daaruit is successievelijk het hele islamitisch-politieke gedachtegoed getransformeerd. Syafi'i: 'Duizenden jonge Indonesiërs hebben er zelfbewustzijn aan ontleend en hebben er een missie mee gekregen.'

Syafi'i is een rustig ogend academicus. Hij houdt kantoor in een modern huis in het zuiden van Jakarta. Je wandelt er zoals bij zoveel huizen in dit land ongestoord naar binnen, hoewel we hier toch volgens diverse radicale organisaties te maken hebben met een 'officiële vijand van de islam' of een 'agent van het westen' - titulatuur die je in menig westers land zou veroordelen tot een 24-uurs begeleiding door stevige mannen met oordopjes. Syafi'i moet daar hartelijk om lachen.

Verzuiling

Indonesië kent al eeuwenlang een eigen vorm van islam. De religie kwam pas in de zestiende en zeventiende eeuw naar Indonesië en raakte vermengd met Hindoe-tradities en lokale gewoonten. In het begin van de vorige eeuw organiseerde de islam zich als een emancipatiebeweging in twee grote organisaties, Muhammadiyah en de wat behoudender Nahdlatul Ulama (NU). Goedschiks en kwaadschiks accepteerden zij het Nederlandse gezag en zorgden ondertussen voor scholing en maatschappelijke bewustwording van honderdduizenden moslims. Ze keken het ook een beetje af van de Nederlandse verzuiling, met hun eigen scholen, publicaties, ziekenhuizen en wat dies meer zij. Deze organisaties zijn groot en machtig gebleven tot de dag van vandaag.

De presidenten Soekarno en Soeharto maakten deze massa-organisaties later dienstbaar aan hun autoritaire bewind. Soeharto schiep een soort opperraad van islamitische vertegenwoordigers, de Raad van Indonesische Ulama, en hield hiermee greep op een belangrijk volksdeel - een kleine honderd miljoen Indonesiërs.

Naast deze georganiseerde islam waren er ook altijd ongeveer evenveel Indonesiërs die in hun geboorteakte wel als moslim werden ingeschreven, maar die er verder niets aan deden. Deze massa van onbekommerde moslims is in de loop der jaren behoorlijk geslonken. Het zijn lang niet allemaal geloofsijveraars geworden, maar meer en meer zijn mensen toch werk van hun geloof gaan maken. Preciese cijfers zijn er niet, maar de tendens is zichtbaar, vooral in het midden en oosten van Java, waar aanzienlijk meer toegewijde moslim-gelovigen zijn dan vroeger.

De werkelijk radicale en fundamentalistische groeperingen omvatten alles bij elkaar zo'n tien tot vijftien procent van de moslims. Ze vormen een wirwar van kleinere organisaties en ze steken vooral energie in hun onderlinge verdeeldheid. Eén radicale groepering haalde bij de laatste verkiezingen zeven procent van de stemmen en heeft één minister, die van landbouw, geleverd aan het kabinet. Deze groepering pleit voor invoering van de sharia-regels, maar haar - bescheiden - succes dankt ze toch vooral aan haar pleidooien voor een goede overheid en de bestrijding van corruptie. Dat klinkt niet alleen goed, maar uit de mond van moslims, die ook zichzelf het nodige ontzeggen en een sober leven leiden, redelijk overtuigend.

Maar het gaat bij zulke radicale bewegingen om minderheden. Nog steeds gelden de twee klassieke moslim-organisaties Muhammadiyah en Nahdlatul Ulama als bakens van gematigdheid en vriendelijkheid - als het levende bewijs van de 'islam met een glimlach'. En zij claimen elk zo'n 30 tot 40 miljoen leden, samen dus een kleine 80 miljoen.

In juli vorig jaar kwam de Raad van Indonesische Ulama bijeen. De vergadering stond onder leiding van de net aangetreden machtige voorzittter van de Muhammadiyah, Din Syamsuddin. De Raad is dan allang niet meer het verlengstuk van een autoritair bewind maar een machtige spreekbuis voor miljoenen mensen. De president van het land is te gast en belooft in godsdienstzaken alleen naar deze Raad te luisteren. De Raad vaardigt vervolgens een fatwa - een islamitisch besluit - uit dat tot de dag van vandaag de gemoederen bezig houdt. De fatwa zegt dat de islam zich voortaan helder dient te distantiëren van liberalisme, secularisering en pluralisme.

De fatwa sloeg in de kring van islamologen en geleerden in als een bom. Een schande, noemt de oud-president en islam-academicus Gus Dur de fatwa: 'Indonesië is geen religieuze staat, maar een seculiere staat en de regering hoort er afstand van te nemen.' Het definitieve bewijs van een groeiend islamitisch conservatisme, noemt Syafi'i de fatwa, want de machtige vertegenwoordigers van de gematigde islam zijn verantwoordelijk voor deze inbreuk op de Indonesische islam-traditie van tolerantie en terughoudendheid.

De machtige man in kwestie, Din Syamsuddin, is nog jong - net veertig. Hij is modern gekleed, heeft in Los Angeles gestudeerd en heeft het in de rangen van de politieke Golkar-partij ook al een behoorlijk eind gebracht. En nu dus voorzitter van een organisatie die in de geest van de islam ook overal in het land scholen, universiteiten en ziekenhuizen aanstuurt.

Zijn hoofdkantoor staat in Menteng, de laatste wijk van Jakarta waar koloniale Nederlanders in de vorige eeuw architectonisch nog een stempel op hebben kunnen drukken. 'Nee, allicht willen wij geen islamitische staat, wij zijn geheel en al gecommitteerd aan de scheiding van kerk en staat', zegt Din en hij haalt een recente verklaring tevoorschijn die wat hem betreft aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Het oogt tegenstrijdig met de fatwa van vorig jaar, maar het gaat om teksten vol geleerde mist - voor velerlei uitleg vatbaar.

En dat lijkt ook de bedoeling, want Din - en velen met hem - manoeuvreert behoedzaam: 'Wij willen hier geen geradicaliseerde islam, wij zijn modern en gematigd.' Voor ons zit een vaardig politiek talent met misschien een mooie politieke carrière in het verschiet, geen scherpslijper maar een man met een oog voor meerderheden. En deze meerderheden zijn vromer dan vroeger het geval was.

Verjaagde pastoor

Een half jaar geleden ontdekte een radicale islamitische actiegroep in Bandung dat er 25 christelijke kerkjes waren, die eigenlijk niet de juiste vergunning hadden. Elk weekend trokken ze er met een paar honderd man - stok in de aanslag, stenen in de rugzak - op uit om zo'n kerk te sluiten. De pastoor kon een brief ondertekenen dat het hem speet, en dan ging de zaak op slot. Het overkwam ook pastoor Rusbani Setyawan (39). 'Ja, wat had ik voor keuze? De politie kwam wel, maar bemoeide zich er verder niet mee.' De pastoor, een ontspannen man in spijkerbroek en T-shirt, draagt de mis sindsdien op in een luxueuze kerk aan de rand van Bandung, de laatste kerk met een waterdichte vergunning. Pastoor Rusbani is boos - dat wel, want nu moeten honderden gelovigen in eindeloze files naar een overvolle kerk aan de andere kant van de stad reizen. 'Kijk, we hadden toestemming voor sociale activiteiten, maar een vergunning om de mis op te dragen blijkt pas te kunnen worden afgegeven na een opiniepeiling in de buurt. En de buurt is altijd tegen, niet als je het de mensen op straat vraagt, maar wel als het wijkbestuur de formulieren invult.'

Maar keek dan elke moslim de andere kant op, toen het gebeurde? Zijn antwoord is illustratief voor een belangrijke nuance: 'O, zeker niet. Veel vrienden en bekenden uit de grote moslim-organisaties hebben aangeboden om een menselijk schild te vormen rond mijn kapel om de agitatoren op een afstand te houden. Maar wat schoot ik ermee op? De politie had al gezegd dat ik geen olie op het vuur mocht gooien en dus hebben we nu 25 kerken minder in dit diocees, want daar komt het toch op neer.'

Terwijl we met elkaar praten, klinkt van alle kanten het snerpende geluid van de luidsprekers bovenop de moskeeën. Zijn kerk is omringd door vijf, kleinere islamitische gebedshuizen. Stoort dat lawaai niet tijdens de dienst? 'Als ik preek vind ik het wel lastig, maar zachter zetten ze die luidsprekers toch niet.' Zoals de pastoor erover spreekt, is het duidelijk dat hij dit hooguit een vorm van acceptabel treiteren vindt, niet iets om zich vreselijk over op te winden.

De knokploegen in Bandung opereren onder de grote noemer van een radicale islamitische Beweging tegen het Dopen. Onder die noemer claimen ze 50.000 aanhangers te hebben. Doopvrees blijkt sowieso geschikt om moslims te mobiliseren. Want hoewel het aantal christenen in Indonesië met amper tien procent een kleine, stevig verdeelde minderheid is, blijkt het voor een imam gemakkelijk - en soms verleidelijk - om de christenen als een serieuze bedreiging af te schilderen. Deze fobie voor katholieken en protestanten met een heimelijke missie om moslims te dopen, duikt telkens weer op. Recent nog wisten radicalen in Atjeh de gemoederen te verhitten met geruchten dat westerse tsunami-helpers een geheime agenda hadden, genaamd bekering. Allerlei hulp-organisaties zagen zich vervolgens genoodzaakt plechtig te verklaren dat het niet zo was.

Wie vraagt naar de oorsprong van zulke theorieën van christelijke samenzwering tegen de islam, krijgt van de meeste gesprekspartners in steeds andere bewoordingen uiteindelijk hetzelfde antwoord. Het is het raadsel van het minderwaardigheidscomplex van een meerderheidsreligie. Van oudsher stond de kleine minderheid van katholieken en protestanten dichter bij de Nederlanders. Ze waren beter opgeleid, hadden betere scholen en ze vertegenwoordigden het superieure Westen. Het was een elite vergeleken met de massa van de moslims. Het is dit sentiment dat de laatste twee decennia uit de Arabische wereld op alle mogelijke manieren is gevoed en versterkt, beredeneerde paranoia waarmee wraakgevoelens vallen te mobiliseren.

Waar leidt dit toe? Twee antwoorden van twee gezaghebbende deskundigen. De een is prof. Frans Magnus Suseno, jezuïet, sinds jaar en dag directeur van een theologisch-filosofische faculteit in het zuiden van Jakarta, waar behalve katholieken ook moslims college volgen: 'Alles hangt hier af van de vraag of het deze democratie lukt om wat meer welvaart en een beter bestuur te brengen. Lukt dat niet dan is het alternatief niet meer zoals vroeger: het leger, maar een radicale islam.'

De ander is Merle Ricklefs, Australiër, professor in Singapore en auteur van Islamizing Indonesia: 'In een land met zwakke rechtshandhaving, veel criminaliteit, weinig bestuurlijke vaardigheden, endemische corruptie en een beduidende aanwezigheid van extremistische groeperingen - daar is de islam, en trouwens religie in het algemeen, misschien wel de belangrijkste samenbindende factor die een samenleving vreedzaam en bestuurbaar houdt. De krachten van een tolerante, liberale en pluralistische islam zijn hier stevig verankerd en worden goed geleid - maar, ja, als het Indonesische bestuur geen vorderingen maakt dan kan godsdienstig radicalisme het alternatief zijn.'