Oost-Timor zwijgt mee over bezetting

Oost-Timor heeft drie jaar gewerkt aan een onderzoek naar misstanden tijdens de Indonesische bezetting. Het rapport is schokkend, maar de Timorese regering doet er weinig mee.

De presidenten van Oost-Timor en Indonesië hebben op Bali gisteren voorlopig en met succes de lieve vrede gered. Een uitputtend rapport over Indonesische wanddaden tijdens de bezetting van Oost-Timor (1975-1999) hebben zij doorverwezen naar een gezamenlijke commissie. Deze Commissie van Verzoening heeft geen bevoegdheden en moet vooral de tijd nemen alvorens met een reactie te komen. Het bewuste rapport is zo in elk geval tijdelijk onschadelijk gemaakt.

Als een koloniale mogendheid die volledig heeft gefaald, zo komt Indonesië naar voren in dit ruim 2.000 pagina's dikke rapport dat de Oost-Timorese president Xanana Gusmão onlangs had ingeleverd bij de Verenigde Naties in New York. Als een mogendheid die met bruut geweld bijna een kwart eeuw Oost-Timor heeft bezet, zich slechts met behulp van geweld, moord en verkrachting overeind heeft weten te houden en ten slotte rovend, brandstichtend, moordend en - alweer - verkrachtend in 1999 de vroegere Portugese kolonie moest verlaten. De balans van de Indonesische bezetting ziet er, aldus het rapport zo uit: 18.500 moorden, 84.000 doden door deportatie en uithongering.

De Oost-Timorese regering zit met het rapport in haar maag. Het land met ruim een miljoen inwoners is straatarm, geheel afhankelijk van Indonesië en veroordeeld om vrienden te blijven met het buurland. De Oost-Timorese minister van buitenlandse zaken José Ramos-Horta, tevens Nobelprijswinnaar, gaf het aardig weer. 'Ik heb drie broers en een zus verloren, mijn moeder is zwaar getraumatiseerd en boos. Ik durf dat hele rapport niet te lezen, want ik wil het niet nog een keer allemaal meemaken. Maar wat ik al bladerend zag, wist ik eigenlijk al: het is een verschrikkelijk oordeel over het Indonesische leger en de Indonesische maatschappij.' En dan: 'Maar wij moeten Indonesië dankbaar zijn dat ze ons de onafhankelijkheid hebben gegeven en we moeten nu verder met elkaar.'

Drie jaar lang heeft een eigen Oost-Timorese Commissie van Ontvangst, Waarheid en Verzoening ruim 7.000 getuigen in de hoofdstad Dili aan het woord gelaten. Duizenden uren zijn op televisie uitgezonden en tot in de verre bergdorpen heeft iedereen de meest gruwelijke verhalen gehoord. De bevolking was er eveneens getuige van hoe oud-verzetsstrijders elkaar en het volk excuses aanboden voor de burgeroorlog, die voorafgaand aan de bezetting in de Portugese kolonie woedde.

Hier begint de verongelijktheid van Indonesië. Er was een bloedige onderlinge strijd en de communisten op het eiland dreigden in het Portugese onttakelingsproces de overhand te krijgen. Met steun van westerse landen, met instemming van Australië en onder aanmoediging van de Verenigde Staten marcheerde het Indonesische leger in december 1975 op bevel van de autoritaire president Soeharto Oost-Timor binnen.

De huidige leiders in Indonesië voelen er daarom niets voor om eenzijdig in de beklaagdenbank te worden gezet. Zoals een vooraanstaand parlementariër in Jakarta het uitdrukt: 'Iedereen heeft hier boter op het hoofd, alle westerse landen, en ook jullie in Nederland.' Eerst was de krachtige hand van Indonesie welkom tegen het communisme en een kwart eeuw later vond de buitenwereld dat Indonesië op Oost-Timor eigenlijk niets te zoeken had. Volgens deze parlementariër is het zeker tien jaar te vroeg om alle aangerichte leed rustig te kunnen bespreken.

Emoties zijn er ook onder Indonesische nationalisten, die uit Oost-Timor zijn verjaagd en als een soort Heimatvertriebenen gebukt gaan onder de schaamte van de nederlaag en de desinteresse over het leed dat Oost-Timorezen hun aandeden. Ten slotte staat de onafhankelijkheid van Oost-Timor ook te boek als de schandvlek van het leger. De toenmalige Indonesische president Wahid liet Oost-Timor in de ogen van de generaals zomaar onafhankelijk worden en pleegde hiermee verraad aan de centrale missie van het leger: het bewaken van de eenheid van de eilandenrepubliek.

Het rapport bevat drie eenvoudige aanbevelingen. Landen als Australië en de VS moeten toegeven dat ook zij 25 jaar lang het recht van Oost-Timor op zelfbeschikking aan hun laars hebben gelapt. Verder moeten misdadigers worden bestraft en moet er financiële compensatie komen.

President Gusmão van Oost-Timor heeft meteen zelf al gezegd dat hij die aanbevelingen niet zal volgen. Er komen wat hem betreft geen processen of schadeclaims. In eigen land is dat lastig genoeg, want niet alleen nabestaanden willen genoegdoening, ook de machtige katholieke kerk wil dat. Maar Gusmão wil geen verziekte relaties met Indonesië. Ook Indonesië piekert niet over rechtszaken. Zelfs excuses gaan parlement en regering nog veel te ver.

De Indonesische regering vindt het rapport zelf, nog afgezien van de aanbevelingen, al confronterend genoeg, voor zover het ondubbelzinnig vaststelt hoe tot in de hoogste Indonesische legerkringen toe bewust een politiek van 'verschroeide aarde' op is gevoerd. Zo is het rapport voor beide regeringen een ongemak. De verleiding om de gezamenlijke Commissie van Verzoening - een gezelschap zonder tanden en zonder bevoegdheden - nog maar een jaar extra aan het werk te houden, was derhalve voor beide presidenten onweerstaanbaar.