Handige maniak als keizer

Romeinse keizers presenteerden zich met munten en inscripties aan hun onderdanen. Oud-historicus Olivier Hekster gaat na hoe die beelden van de macht variëren en zich verhouden tot de werkelijkheid. Dirk van Delft

Nijmegen,16/02/06. Prof.Dr. Olivier Hekster. Foto: Leo van Velzen/Nrc.Hb. NRC Handelsblad/ Leo van Velzen

Was de Romeinse keizer Commodus (161-192 n.Chr.) een megalomane maniak en een bloeddorstige perverseling? De overgeleverde antieke teksten tonen zich weinig vleiend. Tijdgenoten als senator Cassius Dio en geschiedschrijver Herodianus hadden geen goed woord over voor de keizer die zich met Hercules identificeerde en aan het eind van zijn leven opzien baarde door als gladiator de arena te betreden. In de vierde eeuw deed de Historia Augusta er nog een schepje bovenop: Van jongs af aan was hij gemeen en laag-bij-de-gronds, en wreed en schunnig, een vuilbek bovendien en een loeder.'

Olivier Hekster, hoogleraar oude geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen, heeft deze 'slechte pers' van Commodus gerelativeerd. In 2002 promoveerde Hekster op de studie Commodus: An Emperor at the Crossroads. Dat boek heb ik niet geschreven om de persoon Commodus te rehabiliteren', zegt Hekster in zijn kamer op de tiende verdieping van het Nijmeegse Erasmusgebouw. Misschien was hij echt gestoord en erg aardig lijkt hij me niet geweest te zijn. Maar ook een gestoorde tiran kan er een systeem op nahouden. Doelbewust werkte Commodus aan zijn keizerlijk imago, waarbij hij de legitimatie van zijn macht niet bij de elite zocht, maar bij het volk en bij soldaten. Mijn vraag: is de wijze waarop Commodus zich presenteerde te begrijpen zonder er a priori van uit te gaan dat de keizer gek was?'

Hekster (1974) is sinds 2004 Van der Leeuw-hoogleraar oude geschiedenis aan de Radboud Universiteit Nijmegen - daarvoor was hij fellow van Merton College in Oxford. In een 'dakpanconstructie' van drie jaar heeft hij nu nog de gaande man Luuk de Blois aan zijn zijde. Aan zijn universiteit, waar hij cum laude afstudeerde en promoveerde, is Hekster de jongste hoogleraar.

Het probleem met de geschreven bronnen over Commodus is dat ze vooringenomen zijn, zegt Hekster. De geschiedenis van deze keizer is geschreven door zijn tegenstanders en het beeld van 'gevaarlijke gek' is door veel latere historici klakkeloos overgenomen. Als je ook informatie uit munten, inscripties, mozaïeken en standbeelden erbij betrekt, ontstaat een ander beeld.

Commodus zette zich af tegen de elite en zocht steun bij het leger en het volk. Daartoe hanteerde hij een uitgekiend beeldprogramma. Via munten, inscripties en standbeelden presenteerde hij zijn verheven positie en goddelijke keizerstatus aan de diverse bevolkingsgroepen binnen het rijk. Bijvoorbeeld door zich te laten afbeelden als Hercules met een leeuwenhuid over de schouder. En het vechten in de arena tegen Thraciërs en dieren had, behalve het tonen van kracht en het zichzelf presenteren als de enige persoon die een nieuw 'Gouden Tijdperk' kon inluiden, tevens als functie het Romeinse volk te verenigen tegen de boze buitenwereld.'

Dat beeldprogramma heeft gewerkt, zegt Hekster. Bij diverse legeronderdelen en in de provincie was Commodus populair. Dat blijkt uit inscripties en uit feesten die ter ere van hem werden gehouden. Zelfs postuum genoot de combinatie Commodus-Hercules aanzien.' Maar de elite haatte de keizer en in het jaar 192 werd Commodus op oudejaarsavond door een ingehuurde worstelaar in bad vermoord.

historica

Olivier Hekster komt uit een intellectueel milieu. Zijn vader is hoogleraar klinische farmacologie en zus Kysia was voorzitter van de studentenvakbond LSVb. Op het gymnasium combineerde Olivier alfa en bèta. Ik vrees dat ik geen vergelijking meer kan oplossen', zegt Hekster, maar indertijd vond ik wiskunde-B en natuurkunde minstens zo interessant als talen. Die belangstelling komt van mijn grootmoeder. Die doceerde Slavische talen, had interesse in theatergeschiedenis en schreef een proefschrift over Catharina de Grote - de historica zit daar.'

Na zijn afstuderen in 1997 had Hekster even genoeg van Commodus. Hij verbreedde zijn onderwerp en keek hoe de figuur Hercules andere Romeinse keizers tot voorbeeld strekte. Zeven jaar verbleef Hekster aan Britse universiteiten. In Nottingham werkte hij samen met Thomas Wiedemann, expert op het gebied van gladiatorenspelen, en in Oxford stond hij in nauw contact met Fergus Millar, een van de grootste oud-historici van de afgelopen dertig jaar. Het was Millar die Hekster voorstelde zijn proefschrift te beperken tot Commodus, en het grotere Herculesproject voor later te bewaren. Met een NWO-beurs schreef Hekster op Brasenose College in Oxford in twee jaar zijn proefschrift.

Een elite-universiteit mag in het Engelse systeem op zijn plaats zijn, Hekster voelt weinig behoefte aan een Oxford aan de Waal. Elite-universiteiten passen niet bij Nederland, geef mij maar onze academische hoogvlakte. Oxford vraagt zijn studenten een fee van 4500 pond per jaar, zonder dat daar voldoende beurzen tegenover staan. Dat creëert een systeem waarin mensen die het al breed hebben de betere opleidingen volgen, door de hoge financiële drempel loop je goede studenten mis.

Daarbij komt dat door de strenge intellectuele toegangseisen je in Oxford louter supergemotiveerde studenten treft. Leuk, aangenaam, je kunt ze richten en kneden, maar de universiteit is er ook voor om te enthousiasmeren, om de nieuwsgierigheid te prikkelen bij mensen die niet op voorhand weten dat oude geschiedenis het vak is dat ze altijd al hadden willen doen. Bovendien, zoveel ontlopen de Nederlandse universiteiten elkaar niet. Wie wijst hier het ware Oxford aan? Op welke gronden? In Duitsland zijn ze die weg ingeslagen, met alle ruzies van dien.'

In zijn Nijmeegse oratie Beelden van macht (2004) ontvouwde Hekster zijn programma. Wezenlijk is dat daarbinnen niet alleen geschreven bronnen een plaats hebben maar ook munten, inscripties, mozaïeken en standbeelden. Bij ieder type bron moet je je afvragen wat het doel was, op wie hij gericht was', zegt Hekster. Gewapend met die puzzelstukjes construeer je vervolgens een nieuw beeld. Dat betekent samenwerken met filologen, archeologen, numismaten (kenners van munten) en epigrafen. Aan interdisciplinair dagtoerisme is geen behoefte, wel aan inbreng van individuele specialismen.'

Hoe bij de Romeinse keizers beeld en realiteit van de macht uiteen kunnen lopen bewijst Domitianus II. Die was uit teksten bekend als legerofficier maar uit een vorig jaar uit de aarde gevist bronzen muntje blijkt dat hij rond het jaar 271 kortstondig keizer is geweest. Eén munt is niet veel - van Laelianus, die in 269 enkele maanden aan de macht was, zijn er ruim tweehonderd teruggevonden - en de regeerperiode van de nieuwe keizer duurde dan ook extreem kort. Waarschijnlijk heeft hij zich in een roerige tijd met een paar soldaten de munterij toegeëigend en hoopte hij zich door zijn hoofd op munten te zetten een machtspositie verwerven - de actie roept associaties op met het bezetten van tv- en radiozenders bij moderne coups. Zonder resultaat: Domitianus II werd binnen de kortste keren geëxecuteerd.

brood en spelen

Uitgangspunt van Hekster is dat effectieve heersers in staat zijn meerdere, in zichzelf tegenstrijdige beelden met elkaar te verenigen. Op bronzen muntjes, die bij het gewone volk belandden, presenteerde de keizer zich als degene die voor brood en spelen zorgde terwijl op gouden munten voor soldaten militaire overwinningen waren afgebeeld. Als een keizer zich eenduidig presenteert, en verschillende bevolkingsgroepen in je rijk koesteren verschillende verwachtingen, dan roep je per definitie weerstand op. De eerste Romeinse keizer Augustus begreep dat als geen ander. Hij was een prominente maar niet overheersende senator én een absoluut leider. Hij was mens én god. Hij was traditioneel én innovatief.'

Zolang niemand probeert die beelden met elkaar te verzoenen is er niets aan de hand, zegt Hekster. Zelfs valt zo te verklaren hoe latere zeer uiteenlopende keizers als Hadrianus, Vespasianus en Trajanus zich allen als 'nieuwe Augustus' konden voordoen: ieder van hen benadrukte een ander aspect. Problemen ontstaan pas als oud-historici Augustus tot één figuur willen smeden. Accepteer die diversiteit en constateer dat de Romeinen niet goed raad wisten met hun eerste keizer. Met de verscheidenheid die dat opleverde deed Augustus zijn voordeel.'

Het enkele muntje van Domitianus II kan Hekster wel bekoren. Oude geschiedenis is, in tegenstelling tot de geschiedenis van na 1500, een vakgebied met bronnenschaarste. Af en toe komt er wat bij. Nog altijd worden er papyri-teksten gepubliceerd uit Herculaneum die bij de uitbarsting van de Vesuvius deels zijn verbrand. In de jaren negentig - voor oud-historici heel recent - zijn grote bronzen inscripties opgedoken die Tacitus' beschrijving van prinses Diana-achtige taferelen na de dood van de stiefzoon van keizer Tiberius bevestigen. Oud-historici dachten altijd dat Tacitus overdreef.'

Meestal verscherpen nieuwe bronnen het bestaande beeld, maar soms wordt dat dramatisch op zijn kop gezet. Analyse van antieke standbeelden heeft uitgewezen dat die dingen er fel gekleurd uitzagen', zegt Hekster. Altijd zijn de Grieken en Romeinen geprezen om hun esthetisch blanke marmer en dan krijg je deze kitscherige troep. Geweldig! Het Allard Piersonmuseum heeft er nu een tentoonstelling over: 'Kleur!'. Bronnenschaarste heeft het voordeel dat er ruimte is voor speculatie.'

Het nut van geschienis is het bieden van begrip en reflectie, zegt Hekster. Mijn onderzoek naar beeldvorming en macht in de Romeinse keizertijd is hoogst actueel: het gaat om machtsverhoudingen in een groot rijk met een geweldig integratieprobleem. In deze tijd van botsende wereldbeelden, van media die beelden creëren die vervolgens een eigen leven gaan leiden, is aandacht voor parallelle beelden van macht heel legitiem. Als Amerikanen het brengen van 'Atheense democratie' opvoeren, is het goed een oud-historicus dat in perspectief te laten zetten.'

In zijn oratie vertelt Hekster over een verhaal dat hij januari 2004 in The Guardian las. Een journalist van die krant had de haardracht van de democratische tegenstanders van George W. Bush in de Amerikaanse presidentsverkiezingen geanalyseerd. Omdat beelden van Romeinse keizers aan hun haardracht te herkennen zijn, las Hekster het artikel met meer dan gewone belangstelling. De conclusie: géén van de kandidaten had winnend haar. 'It's easier', aldus The Guardian, 'to visualise these guys as extras in Star Trek and Knots Landing then on the White House steps.'

En dus won Bush. Niet alleen door beter haar', zegt Hekster, maar ook door een campagne die een monolithisch beeld schiep dat op gespannen voet stond met de werkelijkheid. Dan is het goed te weten dat de Romeinse tetrarchie, met zijn verdeling van het rijk in west en oost, keizers afbeeldde die ontkoppeld waren van het dagelijks leven. Beeld en werkelijkheid liepen bij de keizers uit die periode sterk uiteen. Ze wendden een controle voor die in het geheel niet bestond en het was snel met ze gedaan. Ook Bush heeft een fictieve economie en een fictieve buitenlandse situatie geschapen. Er is dus nog hoop.'

Het zijn vergelijkingen die het op college in Nijmegen goed doen, maar Hekster gelooft niet in de voorspellende waarde van geschiedenis. Wel in het belang van het vak. Maatschappelijke relevantie is meer dan praktisch nut. Door specifieke onderzoeksprojecten vooral te beoordelen op valorisatie, om een NWO-term te gebruiken, blokkeer je fundamenteel onderzoek. Want uiteindelijk zoek ik toch antwoord op de grote vragen. Hoe werkte dat Romeinse Rijk? Waardoor bleef het zo lang in stand? Hoe kon het greep houden op de provincie? Dat is veel. Ik heb nog 35 jaar.'

Dit is aflevering 4 in een maandelijkse serie portretten van Nederlandse wetenschappers van naam en faam.