Dingen gaan voorbij, ze gaan over- en dat is maar goed ook

Via DNA-bewijs kunnen daders jaren na data nog gestraft worden. Zij kunnen het verleden niet achter zich laten. Moeten we daarom het verjaringsprincipe opgeven? Overlaad het heden niet met te veel verleden - of te veel toekomst.

Het zijn oude volkswaarheden: 'Komt tijd komt raad'. 'Gedane zaken nemen geen keer'. 'Wie dan leeft, wie dan zorgt.' Maar deze zegswijzen staan onder druk van ontwikkelingen in de genetische technologie. DNA-bewijs in het recht en DNA-diagnostiek in de gezondheidszorg trekken het verleden en de toekomst in het heden.

Het verleden ligt dan niet achter ons, maar keert terug in het heden. En wat de toekomst brengt, ligt al besloten in wat we er vandaag van maken. Tijd verliest zo haar uitwissende werking. Verleden en toekomst zitten steeds dichter op onze nek.

Willen we dat wel? Hoeveel tijd kunnen we eigenlijk verdragen? Hoeveel willen we weten van de toekomst en hoeveel verleden willen we met ons meeslepen?

Hoe je het ook wendt of keert, de tijd verstrijkt. Elke dag worden we ouder en uiteindelijk moeten we de dood onder ogen zien. Dat er een tijdslijn tussen verleden, heden en toekomst loopt die vooruit wijst, valt niet te ontkennen als we naar ons lichaam, onze ouders of kinderen kijken.

Toch zijn er wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen die de vanzelfsprekendheid van de lineaire tijd doorbreken. Een voorbeeld daarvan zijn de tegenwoordige DNA-technieken: ze vouwen het verleden en de toekomst in het heden. Daardoor kunnen we het verleden niet achter ons laten en ligt de toekomst niet langer open voor ons.

Zo kan met prenatale genetische diagnostiek worden vastgesteld wat de kans is dat een ongeboren kind voor het vijftigste levensjaar borstkanker krijgt. Een mogelijk toekomstig gezondheidsprobleem wordt op die manier omgezet in een probleem dat nú speelt. Een voorspellende DNA-test, om een ander voorbeeld te noemen, kan iemand vertellen dat hij groot risico loopt om over enkele decennia darmkanker te krijgen. Voor wie zich nú aan bepaalde diëten, preventieve onderzoeken en leefstijladviezen houdt, zou de toekomst anders uit kunnen pakken. DNA-onderzoek in de gezondheidszorg maakt het mogelijk de toekomst naar het heden te verplaatsen.

De omgekeerde beweging, de verplaatsing van het verleden naar het heden, zien we bij DNA-testen in de rechtspraak. Genetisch sporenonderzoek maakt het mogelijk om oude, soms zelfs verjaarde misdaden alsnog op te lossen. De waarheid van het DNA heeft immers geen houdbaarheidsdatum. Dit in tegenstelling tot getuigenverklaringen: deze worden minder betrouwbaar geacht naarmate de tijd verstrijkt. In het DNA-onderzoek wordt het verleden rechtstreeks gerepresenteerd, in het heden present gesteld, ontdaan van betwistbare herinneringen.

Dat is het verleidelijke van DNA-bewijs: het lijkt altijd waar te zijn - te allen tijde. Dat geldt ook voor de toekomstige ziekte die in het DNA van iemand wordt waargenomen: het risico van een bepaalde aandoening geldt voor altijd.

Tijd wordt hier niet voorgesteld als een rechte lijn of pijl vooruit, en evenmin als een cyclisch proces. We hebben veeleer van doen met een implosie van tijd, waarbij verleden en toekomst in het heden worden gezogen. In dat uitgebreide heden zit dan alles opgesloten, en moet ook alles gebeuren. Aloude noties als lineaire en cyclische tijd krijgen daarmee concurrentie van begrippen als gelijktijdigheid en instant-tijd. Alles wordt in het hier en nu gepropt. Maar dat raakt daardoor ook overladen. Alles moet gelijktijdig, en wel nú.

De drang om alles uit het nu te halen, is niet nieuw. Albert Egberts, hoofdpersoon uit A.F.Th. van der Heijdens Vallende Ouders, had daar al rijke, en rijkelijk beschonken, fantasieën over. 'Luister', zegt hij tegen studie- en kroeggenoot Thjum, 'aangezien het leven zich nietsontziend in de lengte ontrolt, moet je proberen het zo breed mogelijk te maken [] moet je proberen het in de breedte te laten uitdijen.'

Leven in de breedte is volgens Egberts mogelijk dankzij het fantastische vermogen van de geest tot synchronisme. Alles wat het aan beelden, gedachten, herinneringen in zich draagt, kan het gelijktijdig produceren en reproduceren. Ook hier dus verering van het moment - alles tegelijk willen ervaren en overal willen zijn. Maar, waar bij Egberts het uitgedijde heden een product van de geest is - een met drank overgoten gedachte-experiment - is het overladen en uitgebreide heden thans een technische realiteit geworden - een nieuwe vorm van 'in-de-tijd-zijn', niet alleen in de fantasie, maar ook in werkelijkheid.

In de praktijk van alledag blijkt dat uitgebreide heden niet altijd even makkelijk te hanteren. Wanneer een zwangere vrouw te horen krijgt dat haar kind groot risico loopt om geboren te worden met het syndroom van Down, moet ze binnen enkele weken een besluit nemen over iets wat tientallen jaren lang haar leven kan beïnvloeden. Ze wordt verondersteld zich te kunnen voorstellen wat het verschil is tussen zo'n achttien jaar voor een gezond kind te moeten zorgen versus zo'n veertig jaar voor een Downkind.

De persoon die besluit een test te ondergaan voor de ziekte van Huntington, kan, als de uitslag eenmaal bekend is, deze kennis nooit meer ongedaan maken. Een onbezorgde toekomst waarin men niet weet wat hem of haar toekomt, is niet meer mogelijk: de kennis over de toekomst moet altijd in het heden worden gedragen.

Het uitgebreide heden verhoudt zich maar moeizaam tot andere tijden, zoals de natuurlijke tijden van het lichaam, de cyclus van geboorte, groei, aftakeling en dood, of de sociale tijden van werk, gezin, school en vrije tijd. Die veelheid aan tijden, mede resultaat van wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen, vergt voortdurende coördinatie. Verschillende soorten tijd moeten harmonisch op elkaar afgestemd worden - een kwestie van timing en tuning. Van kinds af aan leren we hoe dat te doen, bijvoorbeeld door routines te ontwikkelen, door tijd in stukken te hakken en eerst datgene te doen wat prioriteit heeft, door even ergens bij stil te staan, of door bepaalde gebeurtenissen juist even niet onder ogen te willen zien.

Behalve een technisch-organisatorische opgave is dat afstemmen ook een politiek-normatieve kwestie. Immers, verschillende tijdsregimes herbergen verschillende waardepatronen. Een goed voorbeeld daarvan is de discussie over verjaring in het strafrecht, aangezwengeld door de mogelijkheden die DNA-bewijsvoering biedt.

DNA-bewijs maakt het mogelijk dat oude, niet-opgeloste zaken alsnog worden opgelost. Ook kunnen afgesloten zaken heropend worden op basis van nieuw technisch bewijsmateriaal. In beide gevallen komt een aloud rechtsbeginsel in het geding - de notie van finaliteit, dat is het idee dat aan rechtszaken eens een eind moet komen. Die notie maakt dat niet-opgeloste zaken in tijd worden begrensd door regels betreffende verjaring, en dat de heropening van zaken aan banden wordt gelegd via de ne bis in idem regel: men kan niet twee keer voor dezelfde zaak terecht moeten staan. De bewijstechnische mogelijkheden die DNA biedt, ook over langere termijn, hebben tot discussie geleid over nut en noodzaak van deze rechtsbeginselen. Immers, deze beginselen staan een maximale juridische uitbuiting van zulke nieuwe technieken in de weg.

In de Verenigde Staten wordt de discussie over het finaliteitsbeginsel vooral gevoerd naar aanleiding van de heropening van oude zaken, meer in het bijzonder de vrijspraak van inmiddels veroordeelden - het zogenaamde Innocent Project. Veelal gaat het om ter dood veroordeelden. DNA-bewijsvoering biedt in die context de mogelijkheid mensenlevens te redden. Diverse Amerikaanse staten hebben daarom de verjaringstermijnen recentelijk verlengd of afgeschaft.

In Nederland zien we een zelfde trend. Illustratief hiervoor is het initiatiefwetsvoorstel inzake opheffing/verlenging van verjaringstermijnen van de Kamerleden Dittrich (D66) en Van Haersma Buma (CDA), unaniem aanvaard door Tweede en Eerste Kamer op 10 februari resp. 6 september 2005. In dit wetsvoorstel wordt de verjaringstermijn voor misdrijven met een gevangenisstraf van meer dan tien jaar verlengd van 15 naar 20 jaar. Misdrijven waar levenslang op staat, kunnen helemaal niet meer verjaren: de verjaringstermijn van 18 jaar wordt opgeheven. Bovendien worden de juridische mogelijkheden om een verjaringstermijn opnieuw in te stellen, en zo in feite te verdubbelen, verruimd.

Ter verdediging van de voorstellen wijzen Dittrich c.s. op innovaties in de bewijsvoering, in het bijzonder de mogelijkheden van DNA-onderzoek. Als het technisch mogelijk is oude zaken, ook na verjaring, alsnog op te lossen, waarom zouden we die verjaringstermijnen dan niet verlengen of zelfs opheffen, zo luidt de redenering. In de argumentatietheorie heet dat een naturalistische drogreden: alsof het normatief wenselijke rechtstreeks afgeleid zou kunnen worden uit het technisch mogelijke. Het was minister Donner die de indieners op deze redeneerfout wees. Veranderingen in verjaringstermijnen zijn een rechtspolitieke kwestie, aldus de minister, geen technische.

Wat hier politiek op het spel staat, vooral ook in termen van de relatie tussen heden en verleden, wordt duidelijk als we teruggaan naar de argumenten die ten grondslag lagen aan de oorspronkelijke verjaringsregelingen.

In 1881, bij de vaststelling van het Wetboek van Strafrecht, hanteerde de wetgever drie hoofdargumenten ten gunste van verjaring - alle drie gerelateerd aan de zogenoemde 'uitwissende werking van tijd'. In de eerste plaats het verminderen van strafbehoefte: na zoveel jaren heeft straffen geen zin meer. In de tweede plaats de vervaging van bewijs, met name getuigenverklaringen. En ten slotte het doorgemaakte leed als surrogaatstraf: de niet berechte dader is feitelijk anderszins voldoende gestraft.

De indieners van het initiatiefwetsontwerp menen dat het tweede argument, vervaging van bewijs, teniet wordt gedaan door technische innovaties, in het bijzonder DNA-bewijs. En het derde argument zou typisch negentiende-eeuws zijn: toen was vluchten, bijvoorbeeld naar het buitenland, nog een straf; thans, met nieuwe communicatiemiddelen, al lang niet meer. Dus twee van de drie argumenten vervallen, aldus Dittrich c.s. Daar valt wat voor te zeggen.

Belangrijkste punt in de oorspronkelijke verdediging van verjaring is echter het eerste argument, de verminderde strafbehoefte. Daarachter schuilt, we noemden het al, het principe van finaliteit: de overtuiging dat er aan rechtszaken een keer een eind moet komen. Het nut van vergeven en vergeten - van rust, terugkerende maatschappelijke orde en psychische vrede.

Je kunt het ook vergankelijkheid noemen. Dingen gaan voorbij, ze gaan over - en dat is maar goed ook. Ook daarvoor bestaat een reeks uitdrukkingen in het alledaagse, gezond-verstand taalgebruik. 'De tijd heelt alle wonden', 'Zand erover', 'Streep eronder', 'Geen oude koeien uit de sloot halen'. Ze geven uitdrukking aan de gedachte dat het belangrijk is op een goed moment het verleden af te sluiten - niet langer omkijken, maar opnieuw beginnen en vooruitkijken.

Wie weet heeft de dader zijn leven in de loop der tijd drastisch gebeterd. Stel, we veroordelen iemand op zijn tachtigste alsnog voor een moord begaan op zijn achttiende. Veroordelen we dan wel dezelfde persoon? Identificatie mag dan dankzij DNA-technieken tijdsongevoelig zijn geworden, maar geldt dat ook voor identiteit?

Het zijn zulke, aan de oorspronkelijke verjaringsregelingen ten grondslag liggende overwegingen, waaraan de voorstanders van de nieuwe wetsvoorstellen nogal lichtzinnig voorbijgaan. De notie van vergankelijkheid maakt plaats voor het idee dat schuld en boete juist niet vergaan, niet worden ingehaald door de tijd. 'Tijd heelt niet alle wonden', zo begint Wolfsen zijn bijdrage aan het Kamerdebat.

Velen in de Kamer zeggen het hem na, inclusief de indieners van het initiatiefwetsvoorstel. 'Ten principale menen de initiatiefnemers dat bij zeer ernstige misdrijven het leed dat aan slachtoffers, de nabestaanden en de samenleving als geheel is aangedaan, zwaarder moet wegen dan de behoefte om op een gegeven moment een streep onder een onopgeloste zaak te zetten', zo staat te lezen in de Memorie van Toelichting.

Alsof het omgekeerde niet evengoed het geval kan zijn, namelijk dat juist heropening van een zaak leed berokkent. Dat was nu juist één van de overwegingen achter de oorspronkelijke verjaringsregeling. Met een populistisch beroep op 'het heersende rechtsgevoel' wordt vergankelijkheid ingeruild voor levenslange achtervolging en vergelding. Niks vergeven en vergeten, niks wegstrepen. Integendeel: alles present houden, permanente aanwezigheid van het verleden in het heden.

Onder de vlag van het efficiënt gebruikmaken van nieuwe opsporingstechnieken is een andere, ook moreel anders geladen conceptie van tijd de rechtspraak binnengeslopen.

Nieuwe DNA-technieken leren ons dingen over het verleden en de toekomst die ons groot profijt kunnen opleveren. Maar om de voordelen van genetische technieken werkelijk te smaken, is het van belang tevens te onderzoeken welke veranderingen deze technieken teweegbrengen in onze culturele, morele en maatschappelijke patronen. Door alles tegelijk te denken verhief Albert Egberts het leven-in-de-breedte tot een ware kunst. Maar dit geestelijk hyperactivisme ging gepaard met totale lamlendigheid - hij studeerde voor geen meter en zijn actieradius beperkte zich tot een of twee Nijmeegse kroegen.

Wie al te onbesuisd achter nieuwe genetische technieken aanholt, loopt het risico in dezelfde valkuil te trappen: het heden raakt zozeer overladen met het verleden en de toekomst, dat we eronder bezwijken. Zeker, de tijd heelt niet alle wonden, en de toekomst ligt niet volledig open. Dat is al te naïef gedacht en een miskenning van wat de genetica vermag. Maar het gaat niet aan om zulke noties zonder meer opzij te zetten ten gunste van het altijd aanwezige verleden en de altijd aanwezige toekomst. Het bestaan moet een zekere lichtheid hebben om het draaglijk te houden.

Verbonden aan de Faculteit der Wijsbegeerte van de Rijksuniversiteit Groningen. In het kader van het NWO-programma 'De maatschappelijke component van het genomics-onderzoek' bestuderen zij de invloed van genetische technieken op onze beleving van en omgang met tijd.