De val

Stel nou dat Rintje Ritsma was gevallen. Dan was het een val met toekomst geweest. Rintje was à la Wim van Est de legende in gegaan. Held van gebroken heroïek. Twintig jaar literatuur verzekerd.

Met Sven Kramer kunnen we niets. Te puberaal voor drama, te onschuldig in de strijd. Nog een moederskindje. Meer traan dan wapen. Natuurlijk moest Rintje niet huilen na het drama - oude krijgers huilen niet. Rintje was teleurgesteld, maar niet meer dan dat. De Fries is allang niet meer gebeten op medailles. Nu pas, in zijn nadagen, is hij een ware Olympiër geworden: deelnemen is belangrijker dan winnen. Rintje schaatst voor zijn plezier. Man met schik in het leven.

Dat kun je aan hem afzien. De ogen staan guitig in het kalende hoofd. Hij is vrijgemaakt van polemische klanken. Zo zat hij ook bij Mart Smeets, in een bijna mystiek contrast. Niet Sven Kramer, Mart Smeets was gevallen. De omgekeerde wereld. Ook daar had Rintje vrede mee. Hij lachte gemoedelijk.

Er was iets met het blokje. Ik pieker me suf over het fenomeen blokje. Waarom liggen ze daar, de blokjes? Had een bananenschil ook gekund? Of een reep chocola? Struikelen over een blokje, het staat zo lullig op Olympische Spelen. Laat dan de ijzers met de domme kracht van hun substantie in elkaar hengsten, zeg - dan val je nog enigszins als een man.

Een blokje als natuurramp?

Welnee, de achtervolgingsploeg is uitgevallen op arrogantie. Dagen voor de wedstrijd hoorde je: 'We gaan even het goud ophalen.' Ophalen is zowat het lelijkste woord dat ik ken. Hoezo ophalen? Rij er eerst even voor! Ga een beetje scherp, maar wel slim, de bocht in! Val niet over een blokje!

Ophalen is Hollandse arrogantie. Dat Sven Kramer zo denkt, is tot daar aan toe. Het jonkie haalt ook erwtensoep op bij zijn moeder. Erben Wennemars is al minder gerechtigd om flosserig te denken over een ploegenachtervolging. Wennemars was de melaatse van het team. Daar had hij het zelf naar gemaakt, in zijn eeuwige eigenwijsheid. Wie zou hem meer hebben gegund dan brons? Ab Krook, ja, maar niet van harte.

De arrogantie van de Nederlandse schaatsers werd perfect in beeld gebracht op de middencirkel. Daar stonden ze zogenaamd onthecht te zijn voor de wedstrijd. Even bellen, even een balletje trappen, even in de neus peuteren, even in het kruis tasten, en dit alles met het air van onzichtbaarheid. Terwijl ze wisten dat ze gefilmd werden. Wat heet: ze ademden voor film en televisie, voor het nageslacht. Als sterren in een permanent verraad aan de Friese wateren hingen ze daar. Verraad aan ijs.

De show van de klap was al even bedacht. Camaraderie die er nooit is geweest. Armen over de schouders van een collectief. Met een prevelende Ab Krook in het centrum van nagebootste intimiteit. Ab Krook: zo onhandig, beteuterd en huilerig kan een trotse natie niet zijn. Niet met dat radeloze gezicht, een blokjesgezicht. Stayers in de armen van Ab en van elkaar, wat een stelletje onhandigheid. Calvinistische treurnis.

De koninklijke familie had dapper geoefend in pruilerigheid. De kroonprins, Máxima, de kinderen, ze hadden ineens een gezicht dat past bij een val. Ik miste alleen nog het knarsen van de wielen van de lijkwagen.

Gelukkig, sport wint het toch van wezenloosheid. Ik keek naar het ijshockey. Zag wonderschone doelpunten van de Russen. Een orgie van lijflust. Sport. Daar zijn Olympische Spelen voor. Het maakt uiteindelijk niet uit of een Nederlandse schaatser over een blokje is gevallen dan wel over zichzelf.

Het toppunt van arrogantie is het Heineken House in Turijn. Niets mis met pils en polonaise. Al helemaal niet met een wauwelende staatssecrataris van Sport die zich een ongeluk schrikt als ze de oude helden Kees Verkerk, Leo Visser, Yvonne van Gennip en Ard Schenk op het podium ziet. Waar ze zich vervolgens olympisch geilend tegenaan probeert te schurken. Maar zeg me hoe je als danstent van de natie het verdriet van Sven Kramer kunt negeren? Waarom dansen als sporters willen huilen? Om nog meer te zuipen en te neuken? In Thialf en in het struikgewas van Friesland is meer decor aanwezig voor geluk dan in Turijn. En daar wordt, gelukkig, niet alleen maar Heineken gezopen. Juist niet. Heerenveen-voorzitter Riemer van der Velde weet dat als de beste. Of vraag het Ed Nijpels: hij kotst van pils.