De stelling van Wim van Dinten: Nederland is een internaat geworden

Organisaties denken te veel in modellen. Maak meer ruimte voor zaken die voor mensen, niet voor modellen, betekenis hebben, zegt Wim van Dinten, auteur van een veelgeprezen boek over veranderingen, tegen Marc Leijendekker.

Na zijn pensionering (Rabobank, directeur strategie) heeft Wim van Dinten de Stichting Sezen opgericht, om de ideeën over verandering in zijn boek 'Met gevoel voor realiteit: Over herkennen van betekenis bij organiseren' verder uit te dragen. Foto's NRC Handelsblad, Vincent Mentzel Prof.Ir.Wim van DINTEN, zelfstandig bedrijfsconsulent.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Cothen, 31 januari 2006 Mentzel, Vincent

U stelt dat veel van de problemen waar we in organisaties tegenaan lopen, te maken hebben met een bepaalde manier van benaderen: te lineair, modelmatig, te wetenschappelijk.

,,Dat modeldenken zie je overal: bij de overheid, in bedrijven, ook bij instellingen die niet in eerste instantie zijn gericht op winst. Overal is men gebruik gaan maken van computers en systemen. Bij de overheid zie je dat de bureaucratie is geautomatiseerd. Dat heeft geleid tot een ongelofelijke upswing van productiviteit in het overheidsapparaat: nota's, wetgeving, beleid. Niet alleen kon het parlement dat onmogelijk allemaal bijbenen, maar tegelijkertijd dringt de bureaucratie zo steeds verder binnen in de samenleving.'

U zegt in feite: de overheid wil te veel regelen, omdat ze met die systeembenadering zo veel kán regelen.

'Ja, het is een gevolg van die manier van denken. Neem het loonstrookje. Dat heeft toch geen verbinding meer met wat je iedere dag doet? Mensen kunnen het niet meer lezen. De overheid produceert met haar rationaliteit en haar systemen zo veel regels dat Nederland geleidelijk aan een internaat is geworden. Er is nauwelijks ruimte meer voor vernieuwing, voor ontwikkeling. De betekenisgeving wordt gezocht in regels.'

Wat bedoelt u daar precies mee, met betekenisgeving?

'Ik geef een voorbeeld. Laatst had ik hier leden van de raad van bestuur van een zorginstelling. Een van hen zei dat zijn instelling niet goed scoorde op decubitus, doorliggen, en dat ze een plan hadden gemaakt om de aandacht hiervoor te verhogen. Wat die man dus eigenlijk vertelde, is dat iets wat voor een patiënt heel naar en pijnlijk is, hier onvoldoende prikkel geeft voor het verplegend personeel om in actie te komen. Daar wordt dan een nieuw model voor geregeld. Wat ben je dan als verpleegkundige en manager kwijtgeraakt? Dit zie je overal: dat we niet meer direct reageren op de betekenis die iets heeft, maar eerst een model gaan maken.

'Op diezelfde bijeenkomst was een Ghanese vrouw, opgeleid aan westerse universiteiten, die werkte volgens een wijze van organiseren van het zuidelijk halfrond: je vertelt wat de bedoeling is, hoe je je met elkaar moet gedragen, en voor de rest geef je vertrouwen. Ze vertelde dat de resultaten fantastisch waren. Iedereen vroeg door: Hoe heb je dat precies opgezet? Hoe doe je dat? Kun je er regels van maken? Ze wilden alles expliciteren, de beste manier om die vorm van organiseren naar de knoppen te helpen.

'In de film One flew over the cuckoo's nest probeert een zuster psychiatrische patiënten te helpen via discussie en praten, via het hoofd. Dat werkt niet. Dan zie je McMurphy / Jack Nicholson gaan vissen met al die mensen en ineens gedraagt iedereen zich weer enigszins gezond. Om dat verschil in organiseren gaat het. Wij zitten steeds meer via het hoofd te doen, regels stellen, dingen opschrijven. Maar eigenlijk weten we heel goed dat leven anders verloopt, via verbindingen die je met elkaar en de omgeving aangaat. We durven daar niet meer op in te zetten, we geven mensen geen vertrouwen meer. Zo kapselt die 'systeemwereld' het sociale leven in en wordt het moeilijk te reageren op prikkels van anderen, om echt te luisteren, om te kijken of het ideaalbeeld van het model wel aansluit bij de realiteit.'

Goed, professionals ruimte laten. Dat is een mooi model voor zorg, onderwijs. Maar als je een auto moet maken, gaat het toch beter als je al je stappen duidelijk vastlegt en niet 'ruimte laat'?

'Natuurlijk zijn er verschillen tussen organisaties. Waar het mij om gaat, is dat de industriële benadering is gaan overheersen en de dienstverlening heeft aangetast. Ook de overheid heeft veel bedrijfsmatige componenten gekregen die strijdig zijn met de aard van haar activiteiten.'

Bijvoorbeeld?

'De zorgverzekering. Daarin stond de relatie tussen arts en patiënt centraal. Nu is er ineens een heel ander perspectief. De arts moet zich richten op een systeem en niet meer op de patiënt. Dan krijg je een vorm van organiseren die industriële elementen heeft. En natuurlijk zullen politici zeggen dat ze dat niet bedoelen, maar ze herkennen niet dat dit het effect is van hun vorm van organiseren.'

U noemt dat modeldenken een kernprobleem voor organisaties. Een andere essentiële ontwikkeling is wat u noemt zelfreferentialiteit.

'Om je eigen leven te leiden, heb je anderen veel minder nodig dan vroeger. mensen kiezen in relaties steeds meer voor eigenbelang: 'Wat heb ik er aan?, wat levert het mij op?' Al die wensen samen maken een patroon waarvan je mag hopen dat het voor de samenleving gunstig uitvalt, maar het is uitermate lastig geworden daar gericht op te sturen. Je ziet het idee van een samenleving waarvoor je je met zijn allen verantwoordelijk voelt, die je vorm wilt geven, overgaan in een 'samenleving' waar iedereen zijn eigen ding doet. Zo'n samenleving is niet meer gericht op grote ideeën en concepten, maar is een optelsom van allerlei toevallige krachten. En dat is wel even wennen. Zo'n samenleving lijkt niet meer bestuurbaar.'

Die verbrokkeling is juist de reden dat de roep om leiderschap sterker klinkt, om bezieling. Ieder vult dat op zijn manier in. Wouter Bos zegt omzichtig dat hij als leider náást de mensen wil staan, burgemeester Leers van Maastricht roept om echte voorgangers, en minister Verdonk is populair omdat ze een lijn uitzet, een van die grote ideeën, en daar bij blijft. Die signalen wijzen een andere kant op.

'Dat krijg je in zo'n situatie. Instituten als de Tweede Kamer, de overheid, zijn uit hun basale referenties gelopen. Dat komt ook door een derde essentiële ontwikkeling: de overgang naar de beeldcultuur. Dat is een totaal andere communicatieve infrastructuur, en ik denk dat die overgang net zo ingrijpend zal blijken te zijn als de invoering van machines, zeg maar de industriële revolutie. We staan nog maar aan het begin daarvan, maar je ziet het nu al. De politiek heeft belangstelling voor een onderwerp zoals het in de media speelt. Is het uit de media, dan is het voor een politicus weg. Politici gaan mee met de methodologie van het beeld, met een nieuwe manier van betekenis geven. Een beeld communiceert anders dan tekst. Als je iets opschrijft, gaat het via je hoofd, dan ga je denken. Beeld is emotie, urgentie, actualiteit. Je ziet nu dat de politiek communiceert met beelden. Wat scoort er? Dat wat nu speelt, wat kortstondig is gaat domineren. Dat is een enorm verschil met hoe een parlementaire democratie oorspronkelijk was ingericht. Daarin was conceptualiseren dominant.

'Niemand kan beweren dat hij weet hoe een nieuwe inrichting van de samenleving eruit zal zien. Maar je moet wel je denken en je manier van kijken aanpassen aan genoemde veranderingen. Eén ding weet je al wel, en dat is dat nieuwe ordening van beneden naar boven zal worden opgebouwd. Aan de basis van de samenleving vragen mensen nu al: 'Wat is voor mij belangrijk? Wat erken ik als voor mij betekenisvol?' Zo ontwikkelt zich een samenleving van beneden naar boven.'

In feite zegt u: denk niet dat je dingen op voorhand kunt regelen. De modellen zijn te rigide, de belangen te verschillend, de besluitvorming te emotioneel.

'Er ontstaat een samenleving waarbij wat er gebeurt de uitkomst is van alle activiteiten van alle actoren, niet meer van gerichte sturing. We moeten die onzekerheid leren accepteren. Neem vakantie. Er zijn mensen die steeds naar dezelfde plek gaan, die alles dichtspijkeren tegen het onverwachte. Maar vakantie kan toch ook een avontuur zijn? Je geniet daarvan, van dat avontuur. Moet je dat dan uit je gewone leven uitbannen?'

Ik wil niet dat mijn treinreis een avontuur wordt. Als beleidsmaker kan je toch niet zeggen: we zien wel waar het schip strandt?

'Die redenering zou opgaan als er geen ordening was. Dan verlang je naar ordening. Maar Nederland is inmiddels overgereguleerd. We hebben nu juist minder regels nodig, wat meer ruimte. Anders kan een nieuwe maatschappij ook nooit ontstaan. Er is dan ook enorme behoefte aan mensen die op een andere manier naar problemen kunnen kijken. Neem burgemeester Cohen. Die waarschuwt voor armoede en zegt dat mensen niet rond kunnen komen van 75 euro. Maar dan zegt hij, dat uit die armoede de radicalisering voortvloeit. Daar gaan we weer met onze rationaliteit. Het probleem is armoede, punt. Alsof dat op zich nog niet erg genoeg is. Nu denken die mensen: oh, ze praten hier eigenlijk over om mij van de straat te houden of niet te laten radicaliseren; dus het is weer hun belang. Juist in dit soort impliciete manieren van betekenisgeving zitten heel veel elementen waarmee politici en magistraten spanning opbouwen.'

U wilt het tij van de zelfreferentialiteit keren, maar zegt ook, je kan dat niet organiseren. Wanneer zal iemand die zelfreferentialiteit opgeven? Zeg maar, weer wat onbaatzuchtiger worden?

'Het gaat niet om tij keren. Ik wil de realiteit onder ogen zien. In onze workshop was iemand die dyslectisch is. Hij vertelde hoe hij een boek doorwerkt: hij zoekt mensen die het boek gelezen hebben en die laat hij vertellen. Hij zegt dat hij een tekort heeft, komt er ook open voor uit en anderen helpen hem. Zo ontstaat een band. Je moet eens opletten hoeveel dyslectische mensen op cruciale plekken zitten in organisaties. Ze zijn in staat mensen met elkaar te verbinden via hun 'handicap'. Bovendien werkt hij met beelden: eigentijdser kan het niet. In onze tijd verandert de definitie van handicap. Academicus zijn, opgeleid zijn in rationele methoden, is nu heel vaak een handicap. Op het moment dat wij de wereld zo inrichten dat iedereen volledig selfsupporting is en de ander niet nodig heeft, ontstaat er niets sociaals. Veel organisaties klagen dat hun medewerkers zich niet meer kunnen verbinden met de klant. Als je daar gaat kijken, zit iedereen achter een beeldscherm. Ze worden bovendien afgerekend op ratio's van de aandeelhouder, niet van de klant. Ons verhaal is dat organisaties, de samenleving, mensen er allemaal tegelijk beter van worden als het evenwicht in wat voor mensen betekenis heeft bewaard wordt.'