Cito-toets kwelt leraar soms meer dan leerling

Volgens Allan Varkevisser en Arie de Bruin is de Cito-toets een kwelling voor kinderen die er niets van begrijpen (Opiniepagina, 13 februari). Zij motiveren deze conclusie wegens de onderwijsachterstand die deze leerlingen hebben opgelopen. Is het dan niet mogelijk deze achterstand hoe dan ook weg te werken? Wat doen kinderen in groep 8, als ze de leerstof van groep 6 of 7 nog niet beheersen? Volgens mij zit daar het echte probleem: men accepteert het constante falen van de leerlingen zonder hier echt iets aan te doen. Maar zijn de onderwijzers hiertoe wel bereid of in staat?

Ik heb jaren lesgegeven aan vmbo-leerlingen die voor de keus stonden een diploma voor een zestal vakken te behalen d.m.v. schooltoetsen of Cito-toetsen op A, B of C-niveau. Als docent Engels en Nederlands werkte ik hard met de meestal allochtone leerlingen om toch vooral Engels op B of C-niveau te doen. En dat lukte. Apetrots waren ze met hun behaalde certificaat. Helaas waren andere docenten vaak niet bereid zich voor een Cito-toets in te spannen. Het bekende halo-effect is verantwoordelijk voor veel verkeerde inschattingen in het onderwijs. Slecht/onvoldoende scorende leerlingen krijgen door hun gedrag steeds minder aandacht en kunnen dan niet echt laten zien wat ze waard zijn. De goede, rustige, zich keurig gedragende, onopvallende, hardwerkende leerlingen daarentegen krijgen zeker bij de onervaren onderwijzers steeds meer zelfvertrouwen door de goede cijfers, de complimentjes en de vele beurten die ze krijgen. Iedere docent moet zich hiervan terdege bewust zijn.

Voor zwaar onderschatte leerlingen kan de Cito-toets – als objectief gegeven – een uitkomst zijn. Misschien moeten Varkevisser en De Bruin bekennen dat de Cito-toets de onderwijzer meer kwelt dan de leerling.