Bij de kapper

In de Deense cartoon-artikelen miste ik de weerslag op het Nederlandse dagelijks leven. Gisteren ging ik naar de kapper, waar ik zoals meestal geknipt werd door R., een vrouw van Turkse herkomst. Na enkele omtrekkende bewegingen („We leven in een ander land dan een paar jaar geleden“) bleek dat we het allebei over de cartoons hadden.

Zij benadrukte het verbod om de profeet af te beelden, maar keurde het geweld af en toonde begrip voor het belang van de vrijheid van meningsuiting. Ik keurde geweld eveneens af, nam aan dat de cartoonisten niet bedoeld hadden iemand te kwetsen, vond dat een afbeelding van de profeet nooit de profeet zelf kan zijn, en benadrukte dat vrijheid van meningsuiting niet betekent dat iemand de profeet hoeft af te beelden. Ik beaamde dat er in Nederland vaak met twee maten wordt gemeten als het om de behandeling van moslims en niet-moslims gaat. Maar ik zei niet dat de cartoons beter niet gepubliceerd hadden kunnen worden. We waren het erover eens dat gematigde standpunten ondergesneeuwd dreigen te raken. Zij hoopte dat als genoeg mensen zwegen, het wel weer zou overwaaien. Ik zweeg. Er bleef een kloof voelbaar.

Ten slotte raapte ik mijn moed bij elkaar en vroeg: „Vind je dat er in Nederland een wet zou moeten komen die het afbeelden van Mohammed verbiedt?“ Zij antwoordde: „Dat zou te ver gaan. Dan moet je ook andere dingen verbieden.“ We gingen over op andere onderwerpen.

De manier waarop ze me bij het betalen aankeek, gaf me het gevoel dat er iets niet goed zat. Alsof de afstand vergroot was en ik in haar ogen een vreemdeling was geworden.