Van God los

Het is moeilijk om een zo beladen onderwerp als zelfmoordterrorisme te benaderen zonder er een moreel oordeel over te vellen. Toch is dat noodzakelijk om er greep op te krijgen.

Een film over twee Palestijnse kandidaat-zelfmoordterroristen, van wie er één gaandeweg twijfels krijgt over de zin van zijn onderneming, is niet de waarschijnlijkste kandidaat voor een Oscar. Maar het succes van films als Paradise Now, dat voor een Oscar is genomineerd, suggereert dat er een reële behoefte bestaat aan inzicht in wat zelfmoordterroristen drijft. Die behoefte kan voortkomen uit een humanistisch verlangen om te begrijpen hoe mensen willens en wetens een gewelddadige dood zoeken; of de puur praktische noodzaak een beleid te formuleren dat zulke aanslagen kan voorkomen of bestrijden.

Het is moeilijk om een zo beladen onderwerp te benaderen zonder er bij voorbaat een moreel oordeel over te vellen, of zonder er je afschuw over te verbergen. Toch is dat het eerste wat je moet doen om er greep op te krijgen. Het is ook precies wat een imposante reeks recente boeken over zelfmoordterrorisme probeert te doen. Ze vallen uiteen in twee soorten: enerzijds sociaal-wetenschappelijke studies die de daders proberen te doorgronden; anderzijds meer beleidsgerichte analyses, die weinig geduld hebben met zulke pogingen tot begrip, en zich meer op de structuur en tactiek van de organisaties erachter richten, vooral met het oog op bestrijding. Maar deze tegenstelling is denkbeeldig: effectieve bestrijding vereist een meer dan oppervlakkig inzicht in wat zulke extreme vormen van geweld voor de daders een aantrekkelijke optie maakt. De Amerikaanse miskleunen in Irak, die islamitische terreur niet hebben bestreden maar juist aangewakkerd, maken dat pijnlijk duidelijk.

Al deze studies benadrukken om te beginnen dat er geen enkele aanwijzing is dat potentiële of feitelijke daders geestelijk gestoord zijn. Psychoanalytische verklaringspogingen in termen van kinderneurosen of andere trauma's hebben niets opgeleverd. Ongetwijfeld vergemakkelijken oorlog, sociale ontwrichting, verpaupering en vernedering de recrutering van personeel voor gewelddadige acties, maar de daders van 11 september kwamen uit gegoede families in landen die al lange tijd geen oorlog meer hadden gezien. Ook worden zelfmoordterroristen ten onrechte dikwijls afgeschilderd als gedreven door een bigotte hoop op een paradijs vol maagden. Zulke verhitte puberfantasieën blijken slechts een ondergeschikte rol te spelen in de afscheidswoorden van zelfmoordenaars. Het testament van Mohammed Atta, de leider van de vliegtuigkapers van 11 september, toont een seksueel nogal verknipte persoonlijkheid, maar hij lijkt meer een uitzondering dan de regel.

Ook zijn de specialisten het erover eens dat religie geen grote, laat staan een doorslaggevende, rol speelt. Zelfmoordterrorisme is niet wezenlijk, laat staan specifiek, voor de islam. Het is ook niet wezenlijk anti-westers, of specifieker anti-Amerikaans en anti-Israëlisch. Het grootste aantal zelfmoordaanslagen is niet gepleegd door Palestijnen of andere moslims, maar door de seculiere Tamil Tijgers op Sri Lanka, tegen de achtergrond van een etnisch conflict tussen Tamils en Singhalezen dat in twintig jaar tijd ruim zestigduizend slachtoffers heeft geëist.

De antecedenten van de hedendaagse moslimactivisten liggen ook niet in de islamitische Middeleeuwen, maar eerder in de acties van Russische anarchisten in de negentiende eeuw, Japanse kamikazes tijdens de Tweede Wereldoorlog en Vietnamese stadsguerrillero's in de jaren zestig. Mogelijk is islamitisch zelfmoordterrorisme dus niet meer dan een voorbijgaand modeverschijnsel, of een copycat-syndroom, zoals het geweld van extreem-linkse groeperingen als de RAF en de Rode Brigades na de jaren zeventig spoorloos is verdwenen. Maar dit is een optimistisch scenario.

Zelfmoordaanslagen zijn als dominant verschijnsel nauwelijks 25 jaar oud. Ze zijn geen uitingen van een blind en irrationeel religieus fanatisme of eeuwenoude culturele tradities, maar een bij uitstek moderne vorm van rationeel en doelgericht politiek handelen. Ze vinden meestal plaats tegen een achtergrond van etnisch conflict, en vooral van buitenlandse bezetting, zoals onder de Amerikanen in Irak. Onder Saddams regime kwamen ze nog niet voor.

Zelfmoordterrorisme als rationele militaire en politieke strategie: dat is de invalshoek van de studie van Mia Bloom, Dying to Kill. Ze ontkent de emotionele drijfveren van individuele daders niet, maar geeft meer nadruk aan de rationele overwegingen van de politieke organisaties achter de terroristen. Zelfmoordaanslagen vereisen namelijk een behoorlijke mate aan organisatie en alleen al daarom zijn ze zelden of nooit spontane uitingen van emoties. Ze nemen aantoonbaar in aantal toe wanneer andere opties, zoals conventionele oorlogsvoering of guerrillastrijd uitgeput raken, of te weinig effect sorteren. Een andere strategische reden om tot zelfmoordaanslagen over te gaan is dat je er gemakkelijker grote aantallen slachtoffers mee kan maken dan met bijvoorbeeld een op afstand bediende autobom.

Bloom toont in detail dat berekening en onderhandeling een veel belangrijker onderdeel van zelfmoordterrorisme zijn dan je op het eerste gezicht zou denken. Ook onderhandelen de meeste staten, ondanks de retoriek die ferm het tegendeel verkondigt - “Met terroristen onderhandelen we niet, we schakelen ze uit' - wel degelijk direct of indirect met terreurgroepen. Zo bereikte Bin Laden in april 2003 één van zijn hoofddoelen, het verdrijven van ongelovige soldaten uit zijn vaderland, toen de Amerikaanse troepen met stille trom uit Saoedi-Arabië vertrokken. Deze feiten plaatsen ook op dit moment de Amerikanen in Irak voor een lastig dilemma: door te blijven nodigen ze radicalen uit en door te vertrekken moedigen ze ze aan.

Naar het einde van haar boek toe formuleert Bloom enkele, niet erg verrassende, beleidsadviezen. Ze legt uit dat de oorlog in Afghanistan het Al-Qaeda-netwerk nauwelijks heeft verzwakt, en dat de invasie van Irak de rekrutering voor de jihad alleen maar in de kaart heeft gespeeld. Een groter probleem van haar boek is dat ze al dan niet suïcidale vormen van terrorisme te veel uit hun bredere verband van oorlogen, etnische conflicten, en buitenlandse bezettingen rukt. Zo laten haar opmerkingen over de kortstondige reeks zelfmoordaanslagen door de PKK in Turkije (duidelijk niet haar specialisme), halverwege de jaren negentig, onverklaard waarom de PKK pas na twaalf jaar guerrilla begon met zelfmoordaanslagen, en waarom de plegers ervan vaak jonge vrouwen waren.

Belangrijk is Blooms analyse van concurrentiestrijd om aanhangers en financiële steun als een cruciaal aspect van georganiseerde zelfmoordacties, vooral onder rivaliserende Palestijnse facties. Volg je de logica van Blooms analyse, dan worden zelfmoordaanslagen tot een soort strategische investering, die gedaan wordt op advies van een bedrijfsleiding of raad van commissarissen, op basis van voortdurend marktonderzoek. Ze hebben niet alleen stijgende politieke klandizie, maar ook een grotere naamsbekendheid als hoofddoel.

Zelfmoordaanslagen als reclame: zo geformuleerd mag dat cynisch of zelfs absurd klinken, maar dit inzicht kan wel degelijk van nut zijn voor het antiterreurbeleid. Als terreur geen uiting van blinde godsdienstwaanzin is, maar bestaat uit doel- en marktgericht handelen, dan kunnen overheden en veiligheidsdiensten daar hun tactiek op afstemmen, en er misschien zelfs op anticiperen. Blooms nadruk op de rationele en berekenende dimensie is dan ook zeker verhelderend. Het probleem is, dat ze te eenzijdig is, doordat ze de belevingswereld van de daders onderbelicht laat. Zelfs als hun organisaties rationele doelen nastreven, dan hoeft dat nog niet te gelden voor de individuele activisten. De vraag blijft hoe je mensen überhaupt zo ver krijgt dat ze hun leven opofferen voor enig politiek doel.

Een diepgaande analyse van wat islamitische zelfmoordactivisten dan wèl drijft. vind je in Farhad Khosrokhavars Suicide Bombers. Allah's New Martyrs, dat eerder is verschenen in het Frans. Volgens Khosrokhavar hebben de daders niet zozeer psychische problemen als wel moeite met de moderne wereld. Hij heeft een groot aantal geradicaliseerde, soms recentelijk tot de islam bekeerde jongeren in gevangenissen geïnterviewd. Het prototype van Khosrokhavars “nieuwe martelaar' is Richard Reid, een kleine crimineel van Jamaicaanse afkomst, die in de gevangenis moslim werd en de geschiedenis inging als de mislukte “shoe bomber'.

Aansluitend op Olivier Roys analyse van de “geglobaliseerde islam' benadrukt Khosrokhavar dat zulke losgeslagen migrantenjongeren fundamenteel verschillen van de Iraanse of Palestijnse martelaren van de jaren tachtig en negentig, maar dat beide groepen wel wezenlijk modern zijn. Terecht vestigt hij de aandacht op de economische, sociale en morele uitsluiting en ontwrichting van de globaliserende wereld. Het is minder een (sowieso uiterst vage) religieuze ideologie die migrantenjongeren drijft, dan een gevoel van vernedering of uitsluiting, een verlangen naar wraak, of de zucht naar roem. Dat maakt zijn boek belangrijk, ook voor een Nederlands publiek. Mohammed B. lijkt heel goed in deze analyse te passen.

Khosrokhavar trekt de pessimistische conclusie dat we het verschijnsel nooit helemaal zullen kunnen uitroeien, omdat het een product - of keerzijde - is van onze moderne, dynamische maar ook zeer ongelijke samenlevingen. Zolang er ontwortelde jonge migranten bestaan, zolang zal er volgens hem een potentieel blijven voor islamitische zelfmoordenaars in Europa. Maar ook deze verklaring is op zijn best onvolledig: ze verduidelijkt hooguit wat radicalisme in het algemeen mogelijk maakt, niet welke concrete factoren in concrete gevallen tot gewelddaden kunnen leiden, laat staan tot zelfmoordacties.

Misschien zijn zelfmoordaanslagen een te complex en variabel verschijnsel om allemaal in dezelfde termen te beschrijven. Een collectief werk onder redactie van Diego Gambetta, Making Sense of Suicide Missions, maakt duidelijk hoe moeilijk zelfmoordaanslagen te onderscheiden zijn van andere vormen van terrorisme, en hoe moeilijk ze over één kam te scheren zijn. Door zijn grotere analytische diepgang slaagt deze bundel erin nieuw licht te werpen op thema's die al uitgekauwd leken. Zo benadrukt Stephen Holmes in zijn hoofdstuk over 11 september hoe moeilijk het is om te bepalen in hoeverre religie de doorslaggevende factor van deze aanslagen was. De taal van Bin Laden is weliswaar religieus, maar zijn doelen zijn seculier en politiek: het verdrijven van, in zijn ogen, koloniale machten uit Afghanistan, Irak en Palestina. Utopieën van islamitische wereldheerschappij of herstel van het kalifaat spelen bij hem geen rol van belang.

Het maken van grote aantallen slachtoffers lijkt eerder een middel dan een doel. Ook de keuze voor burgerslachtoffers is eerder strategisch dan principieel. Ten dele wordt ze bepaald door de tactische overweging dat civiele doelen kwetsbaarder zijn dan die van de staat, maar soms speelt ook een verlangen naar wraak voor burgerdoden aan eigen zijde mee. Hezbollah en de Tamil Tijgers richten zich meer op leger en politie, Hamas en Al-Qaeda meer op burgerdoelen, maar de tegenstelling is bepaald niet absoluut.

Je kunt nog verder gaan: mogelijk is het maken van slachtoffers zelfs helemaal niet essentieel voor zelfmoordterrorisme. Dat wordt vooral duidelijk als je zelfverbranding mede in ogenschouw neemt. Zelfverbrandingen zijn minder afhankelijk van planning en organisatie dan moordaanslagen, maar - afhankelijk van hun locatie - mogelijk minstens zo effectief. Ze kunnen schuldgevoel of schaamte bij tegenstanders opwekken, solidariteit bij buitenstaanders en potentiële medestanders mobiliseren.

Zodoende benadrukken Gambetta en zijn collega's een derde dimensie van zelfmoordterrorisme, naast de strategische doelen en de zo moeilijk grijpbare individueel-psychologische motieven. Met geweld kun je een signaal geven en geen signaal is dramatischer dan dat van de zelfmoordaanslag. Acties als de Tsjetsjeense gijzelingen in een theater in Moskou en een school in Beslan kunnen de aandacht van de wereld opnieuw vestigen op een zaak die anders in de vergetelheid zou raken. Ook kunnen ze tonen hoe ver daders en sympathisanten bereid zijn te gaan, en hoe weinig ze zich willen aantrekken van de regels van de conventionele oorlogsvoering. Voor potentiële jonge radicalen zijn ze vooral een uitnodiging tot navolging.

Nauw verbonden met de zelfmoordaanslag als signaal is de rol van de internationale media, die overigens in al deze studies wat onderbelicht blijft. Dankzij mondiale, commerciële nieuwskanalen zoals CNN, en in toenemende mate het internet, halen de meeste aanslagen onmiddellijk het wereldnieuws. Was deze onmiddellijke beloning in de media er niet, dan zouden er waarschijnlijk beduidend minder zelfmoordaanslagen plaatshebben. Een zelfmoordaanslag is niet noodzakelijkerwijs mislukt wanneer er geen slachtoffers zijn gemaakt; wél als de aanslag onopgemerkt blijft. Maar ook deze factor is in hoge mate variabel: wat voor Palestijnen geldt, hoeft nog niet voor Tamils te gelden.

Holmes' meest interessante suggestie is dat de planners en daders van 11 september vooral het aura van onoverwinnelijkheid rond de Amerikaanse militaire en economische macht wilden ontmaskeren als mythe. Het is echter moeilijk vast te stellen of de breinen achter 9/11 een grootschalige Amerikaanse vergeldingsactie in de vorm van een invasie van hun safe haven Afghanistan hadden voorzien, of zelfs ingecalculeerd. Voorzover dat het geval was, dachten ze waarschijnlijk dat ze die net zo goed zouden kunnen afslaan als eerder de Sovjetinvasie. Hoe dat ook zij, concludeert Holmes, het is niet ondenkbaar dat de aanslagen van 11 september hun doel voorbijgeschoten zijn.

Dit laatste punt kan ook helpen verklaren waarom zelfmoordacties niet veel vaker voorkomen. Een grote beperking is dat hun effecten doorgaans meer van symbolische dan van onmiddellijke strategische of militaire waarde zijn. Een andere dat de reacties erop doorgaans niet in de hand te houden zijn: met een zelfmoordaanslag neem je een risico, omdat je nooit precies weet wat de reactie van de vijand zal zijn.

Mogelijk heeft het hedendaagse islamitische zelfmoordterrorisme, evenals elk radicalisme, zijn eigen levenscyclus. Zo was Hezbollah in de jaren tachtig een radicale en gewelddadige organisatie; maar de groepering vormde zich om tot een politieke partij die in 2001 de aanslagen van 11 september veroordeelde. Het staat te bezien of Hamas na zijn recente verkiezingsoverwinning een vergelijkbaar pad zal volgen. Tegen een pessimistische visie als die van Khosrokhavar brengt de socioloog Jon Elster in de bundel Making Sense of Suicide Missions in dat innerlijke overtuigingen nu eenmaal te vaag en tegenstrijdig zijn om rationeel te kunnen duiden. Misschien is dat de reden dat al onze pogingen om zelfmoordacties te duiden in termen van politieke strategieën, calculaties van winst en risico's, of van tekens en signalen, uiteindelijk stuklopen op onze onmacht om ons werkelijk in te leven in degenen die ze plegen. Misschien stuiten we hier op de grenzen van de nuchtere analyse, en moet het werk worden overgenomen door de verbeelding - bijvoorbeeld via film.

Mia Bloom: Dying to Kill. The Allure of Suicide Terror. Columbia University Press, 251 blz. euro 25,99

Diego Gambetta (red.): Making Sense of Suicide Missions. Oxford University Press, 378 blz. euro 45,49

Farhad Khosrokhavar: Suicide Bombers. Allah's New Martyrs. Pluto Press, 288 blz.euro 27,99

Farhad Khosrokhavar: Suicide Bombers. Allah's New Martyrs. Pluto Press, 288 blz. € 27,99