Tegen de literaire quarantaine

Vraag een jonge Nederlandse schrijver naar de invloed van de moord op Theo van Gogh op de letteren en hij zegt: Geen, en dat is goed zo. Maar is dat wel zo goed? Nederlandse auteurs en critici zijn nog steeds benauwd voor de blik naar buiten. Daarmee doen ze zichzelf tekort.

Specimen Days van Michael Cunningham bestaat uit drie verhalen, waaronder één detective-achtig verhaal dat zich afspeelt in New York in 2002. Over dit gedeelte, waarin de gevolgen van “elf september' in iedere zin resoneren, zei Cunningham in een interview in de Washington Post: “Hoe kun je over hedendaags Amerika schrijven zonder dat 9/11 ter sprake komt?“ Jonathan Safran Foer, wiens Extremely Loud and Incredibly Close inzoomt op het leven van een wonderkind dat zijn vader verloor bij de aanslagen op de Twin Towers, zei iets soortgelijks over de manier waarop zijn roman met het hedendaagse Amerika is verknoopt: “Ik kan me niet voorstellen níet over het onderwerp 9/11 te schrijven [...] Ik zou willen dat meer schrijvers over 9/11 zouden schrijven. Hoe meer stemmen, hoe beter. We hebben meer, veel meer stemmen nodig. Hoe om te gaan met dit soort gebeurtenissen? Hoe je er op duizenden manieren over kunt denken en spreken, dát wil ik lezen“.

In de Nederlandse literatuur gebeurt het zelden of nooit dat een schrijver een uitspraak à la Foer en Cunningham doet. Hun visie past geheel binnen een traditie in de Verenigde Staten waartoe schrijvers als Mark Twain, Ernest Hemingway, Saul Bellow en Philip Roth behoren. Die traditie is de Nederlandse literatuur wezensvreemd. Ik ben niet de eerste of de enige die dit constateert. Paul Scheffer signaleerde in 1994: “De voortdurende kleinering van het eigen culturele en maatschappelijke leven draagt ertoe bij dat weinig schrijvers in Nederland buiten hun eigen domein sporen trekken'. Het zou gisteren gezegd kunnen zijn. Heel soms wordt er wél buiten het “eigen domein' een spoor getrokken: Robert Anker in Hajar en Daan, Nicolaas Matsier in Het achtenveertigste uur, Herman Franke in Wolfstonen en Désanne van Brederode in Het opstaan. Dat zijn vier romans in bijna drie jaar tijd. In totaal worden er per jaar meer dan 200 titels ingezonden voor de AKO literatuurprijs. Uit die meer dan zeshonderd titels vallen dus deze vier titels te onderscheiden waarin de mores van het hedendaagse Nederland een voertuig voor de verbeelding zijn geweest. Dat is minder dan één procent.

En was het nu maar zo dat de meeste Nederlandse schrijvers het zich slechts niet kunnen voorstellen materiaal en inspiratie te ontlenen aan de omstandigheden in het land en de tijd waarin ze leven. Nee, verreweg de meesten zullen van mening zijn dat, om een voorbeeld te noemen, de effecten van de moorden op Fortuyn en Van Gogh überhaupt niet in de literatuur thuishoren.

Wie denkt dat ik overdrijf moet eens aflevering II van Magazijn opslaan, een jaarboek waarin werk wordt gebloemleesd van schrijvers jonger dan veertig jaar. In de genoemde aflevering gaat aan de bijdragen van deze youngsters een vragenlijstje vooraf. De laatste vraag luidde: “Wat zal de invloed van de moord op Theo van Gogh zijn op de Nederlandse literatuur?'

Een greep uit die antwoorden. Jonge schrijver Jan van Loy : “Weinig invloed, denk ik, tenzij je columns tot de literatuur rekent'. Jonge schrijver Peer Wittenbols: “Een berg vol verzamelbundels vol obligate, cabareteske columns'. Jonge schrijver Walter van den Berg: “Misschien dat er wat gejammer komt over hoe onveilig het allemaal wel niet is'. Jonge schrijver Jeroen Theunissen: “De invloed zal vergelijkbaar zijn met die van de moord op Pim Fortuyn en met die van de vertraging in de vuilnisophaling vorige week'. Jonge schrijver Arnon Grunberg: “Nihil. En dat is goed zo'.

Veelzeggend is dat de meeste jonge schrijvers in Magazijn de datum 2 november niet associëren met de morele, sociale en politieke verdooldheid in Nederland, maar met hun eigen humeur dat in de weken erna door, of all people, columnisten werd verpest.

Michaël Zeeman, die de inleiding schreef bij Magazijn, toonde zich content met het solipsisme van de jonggedienden: “Natuurlijk zal de moord op de Amsterdamse raddraaier en filmmaker van 2 november 2004 geen gevolgen voor de Nederlandse literatuur hebben. Kom nou toch, zeg, ga toch weg. [...] De literatuur zit [...] kennelijk niet te wachten op “straatrumoer“ [...] Het dagelijks nieuws, hoe heftig ook, beïnvloedt de literatuur niet'.

Het dagelijks nieuws, hoe heftig ook, beïnvloedt de literatuur niet.

Deze tien woorden onderstrepen de quarantaine die de Nederlandse literatuur sinds lang in een knellende greep houdt.

Wat houdt het eigenlijk in, “het dagelijks nieuws'? Wanneer verandert “dagelijks nieuws' in materiaal dat oorbaar is voor een Nederlandse romanschrijver? In de jaren '40-'45 werd het “dagelijks nieuws' beheerst door één onderwerp, en je moet er niet aan denken dat alle schrijvers die die jaren hebben meegemaakt en het dagelijks nieuws toen hebben gevolgd, ooit gehoorzaamd zouden hebben aan voornoemd dogma. En ten tijde van Eduard Douwes Dekker beheerste “de Indische kwestie' het dagelijks nieuws. Eén Max Havelaar is genoeg om de benepenheid van de zelfopgelegde literaire quarantaine te onderstrepen.

Dat zijn de “grote' wereldomspannende gebeurtenissen. Maar in de Verenigde Staten las Truman Capote op een dag een klein krantenbericht over de moord op een gezin in Kansas. Met een schrijfopdracht van het tijdschrift The New Yorker reisde Capote af naar Kansas, verbleef er maanden en maanden, en werkte vervolgens jaren aan In Cold Blood, inmiddels uitgegroeid tot een moderne klassieker. Met dank aan “het dagelijks nieuws' dat voor Capote de kiem bevatte.

Beijveraars voor de literaire quarantaine brengen altijd twee argumenten in stelling tegen een vrijere omgang met de actualiteit en de eigen tijd in het werk van veel Amerikaanse en, de laatste jaren, Engelse schrijvers.

Het eerste argument: alsof alles in die Amerikaanse literatuur zo veel beter is. Bespaar ons een Amerikanisering van de literatuur. Het tweede argument: alsof de literatuur er iets mee wint wanneer schrijvers verplicht worden hun oren te laten hangen naar “het nieuws van de dag'. Beide argumenten begeven zich buiten de kwestie zélf. De kwestie is niet dat “de Amerikaanse literatuur' “beter' zou zijn dan “de Nederlandse literatuur'. De kwestie is dat Amerikaanse schrijvers nooit vatbaar zijn gebleken voor het dogma van de literaire quarantaine.

Dan het tweede argument. Natuurlijk wil geen zinnig mens schrijvers tot een bepaalde poëtica of werkwijze “verplichten'. Literatuur “moet' niets. Wie À Rebours wil schrijven moet zich niet verplicht voelen tot het schrijven van Voyage au bout de la nuit. In De avonden is het eeuwig kerst en eeuwig oud en nieuw en heerst de ontijd van spleen en claustrofobie, en Frits van Egters is Frits van Egters omdat zijn werkelijkheid wordt begrensd door zolderkamer en keukentafel; door klerkenbaan en troostkonijn. Iedere roman creëert hoogst eigen wetten waaraan die roman wil beantwoorden, en het gaat niet aan die wetten onder één noemer te brengen.

Toch werden juist deze twee weinig steekhoudende argumenten in stelling gebracht toen Ton Anbeek zo'n 25 jaar geleden het essay “Aanval en afstandelijkheid: een vergelijking tussen Nederlandse en Amerikaanse romans' publiceerde. Dat essay is ten onrechte te boek komen te staan als een aansporing aan Nederlandse schrijvers tot meer straatrumoer in hun boeken.

Wat is het toch jammer dat niemand dat essay nog eens opslaat. Anbeek gaf daarin een indruk van het jaar dat hij had gedoceerd aan de Universiteit van Californië, waar hij tot taak had Amerikaanse studenten inzicht te geven in de Nederlandse literatuur. Die studenten bleken een stevige weerzin te voelen die hij als ambassadeur van de Nederlandse literatuur maar nauwelijks kon doorbreken. Anbeek besprak vervolgens drie romans die in dat jaar overal op de campussen werden gelezen, Joseph Hellers Good As Gold, Jailbird van Kurt Vonnegut en The World According to Garp van John Irving. Anbeek signaleerde dat de drie onderling stevig verschillende boeken wél een wilde, ongebreidelde aard gemeen hebben. Met veel vorm-experimenten en een vrolijk-anarchistische verteltoon zondigen alledrie de romans tegen de wetten van de streng gecomponeerde klassieke roman. Die wilde vorm weerspiegelde tot op zekere hoogte de Amerikaanse samenleving van die tijd. Tegenover deze drie romans plaatste Anbeek twee Nederlandse bestsellers uit die jaren, Een vlucht regenwulpen van Maarten 't Hart en Opwaaiende zomerjurken van Oek de Jong. Zonder iets af te doen aan de literaire kwaliteiten van beide boeken, noemde Anbeek het opmerkelijk dat in beide romans een benauwende binnenwereld werd uitgebeeld, en dat juist dat benauwende aspect voor de Amerikaanse student de Nederlandse literatuur typeerde. Waarna Anbeek concludeerde dat “een beetje meer straatrumoer' de Nederlandse literatuur misschien geen kwaad zou doen.

Een beetje meer. Een beetje. Dat was alles. Geen decreet, geen aanklacht, en al helemaal geen pamflet.

Is het mogelijk om nóg behoedzamer dan Anbeek spitsroeden te lopen? Toch werden Anbeeks “spitsroeden' opgevat als gevloek in de kerk. De Gids wijdde een speciale aflevering aan Anbeeks essay. Die thema-aflevering had als titel: “Heeft de Nederlandse roman behoefte aan meer straatrumoer'?

Nee, was het unisono klinkende antwoord, en dat was logisch, want ook toen vond geen zinnig mens dat literatuur iets “moet'.

Maar de vraag was dan ook verkeerd gesteld. De juiste vraag naar aanleiding van Anbeeks essay luidt: “Is de Nederlandse roman gebaat bij een principiële uitsluiting van “straatrumoer'?

Maar zó luidde de vraag niet. En als gevolg van die verkeerd geformuleerde vraag liepen heel wat romanciers en critici in die special van De Gids geërgerd leeg. “Anbeeks stelling is onzinnig', oordeelde Boudewijn Büch. Ook Jaap Goedegebuure las Anbeeks essay verkeerd en schreef: “Het is absurd om de Nederlandse romancier die taak als verplicht op te leggen.' En Louis Ferron verwoordde zijn ergernis over Anbeek als volgt: “Maar, om met een door mij zeer gewaardeerd maatschappijkritisch auteur te spreken “Literatuur is het gebied van de vrijheid“, de vrijheid dus ook om desnoods in de stront van je eigen darmen te kruipen. De rest is Scheisse.'

Tja, wie zal het er mee oneens zijn? Ferron zag echter over het hoofd dat Anbeek zich verwonderde dat zo weinigen in Nederland die vrijheid te baat nemen om zich nu eens over andermans darmen uit te laten, om even bij Ferrons metaforiek te blijven. In plaats daarvan blijkt uitsluitend de tijgergang richting eigen darmen zaligmakend.

Doordat in Nederland zo veel romans keurig beantwoorden aan het voorschrift van de literaire quarantaine, lijken sommige critici zich geen raad te weten met romans die zich wél aan die quarantaine onttrekken. In de afgelopen twintig jaar gebeurde het drie keer dat zo'n roman het slachtoffer werd van een verkeerde, verkokerde manier van lezen. Die drie romans zijn Mystiek lichaam van Frans Kellendonk, mijn eigen De buitenvrouw en Casino van Marja Brouwers. De drie lezers waren Aad Nuis, Anil Ramdas en Michaël Zeeman. Alledrie lieten zij zich sturen door morele overwegingen en deden ze de besproken romans onrecht (zie kader).

Wat zegt het over onze literatuur als drie doorgaans bepaald niet oliedomme beroepslezers sommige romans beoordelen op verkeerde, want buitenliteraire gronden? Het antwoord moet zijn dat de zelfopgelegde literaire quarantaine tot gevolg heeft gehad dat er in Nederland relatief weinig romans verschenen die zich én stevig verankerden in de eigen tijd én afdaalden in de contreien van de eeuwige vragen naar de menselijke ervaring. Critici zijn daardoor niet gewend aan romans die zich niets gelegen laten liggen aan die quarantaine. Door die onbekendheid met het genre vervallen dus ook recensenten als Nuis, Ramdas en Zeeman in onnozele beginnersfouten. Met in de praktijk de funeste gevolgen voor Mystiek lichaam, De buitenvrouw, Casino. Dat juist deze drie romans het slachtoffer werden van die reductionistische manier van lezen is geen toeval, want alledrie onttrekken ze zich, ieder op eigen manier, aan de literaire quarantaine.

Is een faux pas als van Nuis, Ramdas en Zeeman te voorkomen? Natuurlijk niet. Maar zolang de zelfopgelegde quarantaine in stand wordt gehouden, blijft de kans extra groot dat beroepslezers hun huishoudboekje van morele standaards tevoorschijn toveren.

Het is onvermijdelijk en het zal bevrijdend werken: de literaire quarantaine moet worden opgeheven. Door de afschaffing ervan is de kans groter dat in Nederland een literatuur kan bloeien waarin geen enkel onderwerp en geen enkele verzinnebeelding op voorhand tot minderwaardig of “verkeerd' wordt verklaard. In zo'n literair klimaat is niets taboe, de moord op Van Gogh evenmin als de verpopping van een vlinder ergens in de uiterwaarden nabij Tiel. Alles mag meedoen.

Dit is een sterk ingekorte versie van de Frans Kellendonklezing die Joost Zwagerman op 13 februari uitsprak aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. De volledige lezing verschijnt in De Revisor 2006, nr 1 en staat vanaf vandaag ook op www.derevisor.nl en op www.joostzwagerman.nl.

Reacties naar boeken@nrc.nl

Rectificatie / Gerectificeerd

In de bekorte versie van zijn Kellendonklezing (Boeken, 17.02.06) schrijft Joost Zwagerman dat Anil Ramdas 'enkele maanden na publicatie van mijn roman De Buitenvrouw (1994)' een groot artikel aan onder meer dat boek wijdde. Dat stuk stond op 14 maart 1997 in deze krant. De hele tekst van Zwagermans lezing staat op de website van De Revisor. Het juiste adres is www.revisor.nl