Snowboardcrossers zijn niet afgunstig

Trendy, nieuwe sporten verfrissen de Olympische Spelen. 'Turijn' beleefde gisteren de spetterende entree van snowboardcross. 'Je kunt het programma niet in marmer graveren.'

Slecht nieuws voor conservatieve sportliefhebbers: nieuwe, moderne onderdelen bij de Olympische Spelen blijken de moeite van het bekijken meer dan waard.

Neem snowboardcross, dat gisteren in Bardonecchia een spetterende entree maakte als olympische discipline. Vier snowboarders in één baan laten uitvechten wie wint, biedt alle facetten die sport zo boeiend maken: strijd en spektakel, met gisteren als toegift een spannende finale voor een enthousiast publiek.

En uitgerekend Seth Wescott, de 29-jarige Amerikaan die binnen de internationale skifederatie FIS stevig heeft gelobbyd om snowboardcross op het programma van de Winterspelen te krijgen, won de eerste gouden medaille. Een gepaste hommage, hoewel de man uit Maine er tegen de Slowaak Radoslav Zidek (tweede) en de Fransman Paul-Henri Delerue (derde) volop voor moest strijden en niets cadeau heeft gekregen.

Het is vooral wennen bij een kennismaking met snowboardcross. Wennen aan de cultuur van ouwe jongens krentenbrood, wennen aan de kledij van de deelnemers en wennen aan termen als double down, toilet bowl, soldier's corner, true table of woody's corner, namen van de hindernissen in de 955 meter lange baan.

Maar het went snel, omdat de mensen warm en sympathiek zijn; ze geven je het gevoel welkom te zijn. De cultuur van haat, nijd en afgunst, die je bij veel andere sporten tegenkomt, ontbreekt bij snowboardcross. Er is vooral kameraadschap. Natuurlijk, het gaat er in de wedstrijd fel aan toe, maar na afloop no hard feelings.

Los van de aankleding, houdt snowboardcross zich allerminst aan de olympische mores. Neem de persconferentie. Waar maak je mee dat de medaillewinnaars er een vrolijke boel van maken door joelend en klappend achter de microfoon plaats te nemen. En waar maak je mee dat de medaillewinnaars niet met verveelde gezichten plichtmatig antwoord geven, maar ongeremd hun zegje doen. Bij snowboardcross dus.

Routinier Drew Neilson, de 31-jarige Canadees die in de eerste heat lelijk ten val kwam, moet lachen om de verbazing bij mensen die in Bardonecchia met de sport kennismaken. 'Ons plezier is niet gemaakt, zo zijn we. We zijn vrienden, die probleemloos ervaringen over de baan uitwisselen. Het is toch ook fantastisch wat we doen? En het mooiste is dat we niet afhankelijk zijn van juryleden, maar in een rechtstreeks gevecht uitmaken wie de sterkste is. Eerlijker kan niet. Zeker eerlijker dan jurysporten, waarvan er in mijn ogen te veel zijn op de Olympische Spelen. Ik weet uit ervaring hoe gefrustreerd je daar van kan worden. Ik ben begonnen met half pipe, maar werd er doodziek van als ik weer eens door de jury werd bestolen.'

En bij de cross zal het in de toekomst volgens Neilson niet blijven. Hij voorspelt dat snowboarders, in navolging van alpineskiërs, een afdaling zullen maken. 'Dat moet fantastisch zijn om te doen op een snowboard. Ook voor het publiek, dat al zo enthousiast op de cross reageert. Maar dat kan moeilijk anders, want snowboardcross appelleert aan de jongerencultuur. Dat uit zich ook in de kleding. Denk maar niet dat wij een aërodynamisch pak aantrekken. We dragen kleding die lekker zit en er cool uitziet. En we laten ons zeker niets opdringen door de industrie. Er zijn wel eens kledinglijnen voor snowboarders op de markt gebracht. Maar niemand die dergelijke kleren droeg. Het past niet bij ons; wij willen vrij zijn.'

Omdat snowboardcross trendy is en het jongeren tot de verbeelding spreekt, wil het Internationaal Olympisch Comité (IOC) het olympische programma graag uitbreiden met moderne sporten. De Spelen moeten evolueren, vindt het Nederlandse IOC-lid Hein Verbruggen, die in zijn hoedanigheid als voorzitter van de internationale wielerfederatie UCI er mede voor heeft gezorgd dat fietscross op de Zomerspelen van 2008 in Peking een plaats heeft gekregen ten koste van de twee baantijdritten.

Verbruggen: 'De Britse bond bijvoorbeeld is nog woedend over dat besluit. Maar die houding is gericht op eigen resultaat en getuigt niet van betrokkenheid bij de toekomst van de wielersport. We moeten met de tijd meegaan. Je kunt het programma van de Olympische Spelen toch niet in marmer graveren.'

Maar Verbruggen weet als geen ander hoe moeilijk veranderingen in gang gezet kunnen worden, zeker bij de Zomerspelen, waar het IOC onder geen beding het aantal van 10.500 sporters wil uitbreiden. Voor nieuwe zomersporten moeten altijd bestaande disciplines wijken. 'En dat is een pijnlijk proces', weet Verbruggen. 'Voor veel sporten is behoud van de olympische status een kwestie van 'leven' of 'dood'. Vandaar dat het programma van de Zomerspelen minder ingrijpend verandert dan het programma van de Winterspelen, waar meer ruimte is.'