Snob aan tafel

Het “Weense wonderkind' Hugo von Hofmannsthal is in Nederland weinig bekend en nauwelijks vertaald. Zijn biograaf toont hem niet alleen als groot schrijver maar ook als eigenaardig kind van zijn tijd.

De mooiste woorden over hem staan in Stefan Zweigs Die Welt von gestern. Al op zestien-, zeventienjarige leeftijd, aldus Zweig, schreef Hugo von Hofmannsthal (1874-1929) zich met “onvergankelijke verzen' en een “tot op de dag van vandaag niet meer overtroffen proza' binnen in de “eeuwige annalen van de Duitse literatuur'. Een dergelijk “meesterschap over de taal' en “ideële bezieling' had hij nog niet eerder meegemaakt, hooguit was het Weense wonderkind te vergelijken met twee andere jeugdige genieën uit de wereldliteratuur, Rimbaud en Keats.

Zweig was niet de enige die onder de indruk was van de jeugdige Hofmannsthal. Diens twaalf jaar oudere stadgenoot Arthur Schnitzler noteerde in 1891 in zijn dagboek: “Een groot talent, een 17-jarige jongeman, Loris (von Hofmannsthal). Kennis, helderheid en naar het schijnt echt kunstenaarstalent. Het is ongelooflijk op deze leeftijd.'

Hugo von Hofmannsthals jeugdwerk neemt inderdaad een unieke plaats in binnen de moderne wereldliteratuur. Onvergetelijk zijn veel van zijn neoromantische gedichten als “Manche Freilich' en “Terzinen über Vergänglichkeit', zijn lyrische eenakters als Der Tor und der Tod en Der Tod des Tizian of zijn schitterend-weemoedige verhalen. Wie ze gelezen heeft op de leeftijd waarop Hofmannsthal ze schreef, prijst zich gelukkig en vergeet ze nooit meer.

Libretti

Rond 1900 maakte Hofmannsthal echter een taal- en levenscrisis door en later verschoof zijn aandacht naar “sociale' genres als toneelstukken - Der Schwierige uit 1910 en Der Unbestechliche uit 1923 behoren tot het allermooiste van het Duitstalige toneel - essays en vooral opera-libretti; samen met Richard Strauss en Max Reinhardt behoorde hij in 1920 tot de oprichters van de Salzburger Festspiele.

Van alle grote Oostenrijkse schrijvers, afgezien van de bijna onvertaalbare Karl Kraus, is Hofmannsthal in Nederland de minst bekende en zeker de minst vertaalde gebleven. Zelfs zijn magistrale, nooit afgeronde ontwikkelingsroman Andreas oder die Vereinigten, waaraan hij vanaf 1912 werkte, en zijn sprookjesachtige meesternovelle Die Frau ohne Schatten (1919) zijn nooit integraal tot ons doorgedrongen. Hier te lande heeft men hem te veel als elitaire estheet en vertegenwoordiger van een voorbije tijd opgevat. Het tegendeel is waar, want Hofmannsthal kent juist heel moderne trekken en het estheticisme (Carl E. Schorske wijst er terecht op in zijn standaardwerk Fin-de-siècle Vienna) ervoer hij zelfs in zijn beginfase als ronduit problematisch.

Met zijn taal- en cultuurkritiek in onder meer de beroemde Chandos-Brief wijst Hofmannsthal al omstreeks 1900 duidelijk vooruit naar latere modernisten als Rainer Maria Rilke, Robert Musil, Hermann Broch en Franz Kafka, die allen de onzekerheid van de moderne existentie (“Denn Bleiben ist nirgends' luidt het in Rilkes Duineser Elegien) hebben benadrukt. Robert Musil schreef in 1930 in Der Mann ohne Eigenschaften de sleutelzin: “Geen ding, geen ik, geen vorm, geen principe is zeker, alles is onderhevig aan een onzichtbare maar nooit rustende verandering, in het onvaste ligt meer van de toekomst dan in het vaste'

Maar Hofmannsthal was hem bijna een kwart eeuw voor, in 1906 publiceerde hij het essay “Der Dichter und diese Zeit' waarin passages staan die zelfs tot in de woordkeuze preluderen op Musils kerngedachte: “Het wezen van ons tijdperk is dubbelzinnigheid en onbepaaldheid. Het kan slechts berusten op overgangen en is zich bewust dat het overgangen zijn, waar andere generaties aan het vaste geloofden.'

De nieuwe Hofmannsthal-biografie van Ulrich Weinzierl heeft de ondertitel “Skizzen zu seinem Bild', een titel die wonderwel past bij deze schrijver, want veel van wat Hofmannsthal schreef is schets of fragment gebleven. Hij hield van de overgangen en het schemerige, zelfs wat de genres aangaat (zijn proza en toneelwerk tenderen vaak naar lyriek), en ook in persoonlijk opzicht is hij moeilijk onder een noemer te brengen. Het beeld dat men na het lezen van deze uitstekende biografie van hem heeft is tamelijk diffuus en ambivalent.

Weinzierl gaat niet strikt chronologisch te werk en concentreert zich op drie centrale thema's uit Hofmannsthals leven: zijn houding tegenover het jodendom, de omgang met de aristocratie en vooral zijn vriendschappen en erotische verhoudingen. Hofmannsthal had één joodse grootvader en was met een joodse vrouw getrouwd, maar dat was onvoldoende om hem als jood te kwalificeren, zoals velen deden. Het is onthutsend om te lezen hoe soms zelfs zijn beste vrienden, zoals de schatrijke diplomaat-kunstpromotor Harry Graf Kessler, gebruik maakten van antisemitische clichés en onverbloemd op “rasverschillen' wezen. Anderzijds ging de schrijver zich ook zelf graag te buiten aan vooroordelen, en vooral in de brieven aan zijn vrienden Richard Strauss, Arthur Schnitzler of Leopold von Andrian is regelmatig sprake van “joodse literatoren', de “joods-Weense toon' of zelfs de “weerzinwekkend spottende joodse toon'. Weinzierls conclusie dat Hofmannsthal een “hoogst ambivalente verhouding tot het jodendom' had lijkt meer dan gerechtvaardigd.

Kasteeltje

Hetzelfde geldt voor zijn betrekkingen met de aristocratie. Hofmannsthals vader was bankdirecteur en behoorde tot de lagere Oostenrijkse adel, de zogeheten bagateladel, maar Hugo wilde graag hogerop en was feitelijk een adellijke snob. Op zijn kasteeltje in Rodaun aan de rand van Wenen, waar kunstwerken van Picasso, Rodin en Ferdinand Hodler de wanden sierden, cultiveerde hij een verfijnde leefstijl; tijdens de avondlijke hoofdmaaltijden verschenen de heren steevast in rokkostuum. Maar anderzijds dreef hij graag de spot met de aristocratie (zijn komedies Der Schwierige en Der Unbestechliche getuigen hiervan) en was hij uiterst royaal voor behoeftige collega's en kennissen.

Veel aandacht besteedt Weinzierl aan Hofmannsthals vriendschappen en harteroerselen. Volgens zijn biograaf was de schrijver gelukkig getrouwd en had hij ook op latere leeftijd nog een “erotisch vervulde' relatie met zijn vrouw, maar anderzijds waren veel van zijn beste vrienden homoseksueel: Leopold von Andrian, Harry Graf Kessler en Rudolf Alexander Schröder. Al op jonge leeftijd had Hofmannsthal de toenaderingspogingen van de Duitse dichtervorst Stefan George afgewezen, maar dat betekende volgens zijn biograaf niet dat homo-erotische neigingen hem geheel vreemd waren. “De schokkende George-belevenis heeft Hugo von Hofmannsthal zijn leven lang niet meer losgelaten', schrijft Weinzierl. Nauwgezet analyseert de biograaf enkele “gelijkgeslachtelijke' vriendschappen in het werk van Hofmannsthals, dat inderdaad een wat androgyne indruk maakt - al is dit voor het fin de siècle eerder regel dan uitzondering.

Tien jaar geleden publiceerde Ulrich Weinzierl (1954), recensent van Die Welt en eerder redacteur van de Frankfurter Allgemeine Zeitung, een veelgeprezen biografie van Arthur Schnitzler. In veel opzichten lijkt zijn nieuwe studie op het eerdere werk: goed en lichtvoetig, bijna on-Duits geschreven, met tal van kleine deelportretten en zeker niet onkritisch. Vreemd genoeg is het de eerste Hofmannsthal-biografie tot nu toe, die extra waardevol is omdat Weinzierl gebruik maakt van veel nog ongepubliceerd materiaal. Wie geïnteresseerd is in Hofmannsthal en Wenen anno 1900 mag zich deze studie niet laten ontgaan.

Ulrich Weinzierl: Hofmannsthal. Skizzen zu seinem Bild. Paul Zsolnay Verlag, 320 blz. euro 22,-