Overgave zonder witte vlag

Kijk eens goed naar dit straattafereel, ergens in Amsterdam, in 1958. Inderdaad, het lijkt sprekend op dat vroege schilderij “La Rue' (1933) van de schilder Balthus. Met diezelfde alledaagse bedrijvigheid van spelende kinderen en passanten die door stom toeval en in harmonie met elkaar verweven zijn geraakt.

La Rue, een schilderij van Balthus uit 1929

Als figuranten op een doek op hun plaats vallen, kijk je daar niet zo van op, want daar heeft de schilder voor doorgeleerd en over nagedacht. Maar dat je ook willekeurig straatrumoer op zo'n ideale compositie kan betrappen, is een kwestie van puur geluk, én van sublieme, fotografische waarneming.

Philip Mechanicus maakte de opname in 1958, hij was toen 21 jaar oud. En hij nam het beeld op in De laatste keuze, , het boek met bijna tweehonderd foto's en met tientallen eigen teksten dat hij kort voor zijn dood, eind juli vorig jaar, 68 jaar oud, nog samenstelde. De stad is niet zijn jachtterrein gebleven, hij zou zich als fotograaf toeleggen op het portret. En daarom staan in zijn boek vooral veel mensen van naam, uit alle culturele geledingen van dit land. Het handjevol ontroerende opnamen van de straat lijkt min of meer per ongeluk tussen de hoofden en torso's terecht te zijn gekomen.

In die portrettenreeks - van Willem Sandberg tot Marlene Dumas, van Belcampo tot Sigrid Koetse - is geen chronologie aangebracht. Vermoedelijk omdat Mechanicus' stijl van werken in dit genre niet noemenswaardig veranderd is. Je stuit wél op mooi beeldrijm, zoals de koele, pragmatisch ogende vormgever Gijs Bakker (1995), met daarnaast de aandoenlijke Wim T. Schippers (1962), nog zo kwetsbaar als het witte porseleinen koffiekopje dat als collage naast hem aan de muur hangt.

Al die sobere portretten zijn met een zekere esthetische gestrengheid gemaakt. Je kreeg als “onderwerp' waarschijnlijk de kans niet om de schijn op te houden. Meestal poseerde men keurig zoals poseren hoort, maar Mechanicus hield dan wel scherp in de gaten wanneer het moment viel waarop iemand iets prijsgaf wat alleen die ene iemand in die mate toebehoorde - en misschien in tweede instantie helemaal niet had willen prijsgeven.

De meeste teksten in het boek, gedachtenflarden en herinneringen, zijn niet zo zeer gecombineerd met de portretten, maar met de documentaire foto's en stillevens - van modeshow tot ontgroening, van een bloem tot een poes. Die teksten zijn onthecht en zuinig, alsof op langdradig schrijven lijfstraffen stonden. Hier en daar laat Mechanicus iets meer over zichzelf los: dat hij Emmy Andriesse de belangrijkste fotografe van Nederland vindt, dat hij zo van moerbeibomen houdt, en dat hijzelf en niemand anders de beste portretfoto ooit van W.F. Hermans maakte, de enige opname trouwens die in kleur in het boek is opgenomen. En waarom is die dan zo goed? Mechanicus: “Ook zonder zichtbare witte vlag is te zien dat deze man zich overgeeft'. Maar, zoals gezegd, Hermans was niet de enige die zwichtte.

Ook bij die boven beschreven straatopname schreef Mechanicus wat herinneringen op: aan Geertje, die met oudere jongens in de gracht zwom, dezelfde gracht waaruit de kleine Philip rolschaatsen en condooms opviste. En aan de “oudijzergentleman' Tawe, waar hij wel eens een stuiver bijverdiende: “Alles, en ook de hobbelkeien, rook heerlijk naar oud roest. Dat was goed te merken. Omdat je kleiner was en dichter bij het straatoppervlak.'

Dat de stad er in die tijd ongekend armoedig bij kon liggen, valt je bij het zien van die zorgeloze kinderen niet op. Mechanicus zelf had daar ook liever geen oog voor. Want hij liet in dat laatste boek van hem paginagroot een memorabel citaat afdrukken: “Goed dat een foto een kader heeft: zo wordt je de meeste werkelijkheid bespaard'.

Philip Mechanicus: De laatste keuze. Voetnoot, 320 blz. euro 27,50