Ouderen worden ten onrechte als 'grijze rijken' neergezet

In voorstellen over de aanpak van vergrijzing wordt vaak een beeld geschetst van rijke ouderen. Dat berust echter op te grove maatstaven en op soms apert onjuiste veronderstellingen,meent G.P.A.Braam.

Het woord vergrijzing krijgt een steeds alarmerender klank. Gesproken wordt over de onbetaalbaarheid van de AOW, over een dreigende generatiestrijd en over stijging van kosten in de gezondheidszorg.

Op grond daarvan wordt aangedrongen op langer doorwerken en verhoging van de pensioenleeftijd als antwoord op de stijgende levensduur en de aanstormende nieuwe golf gepensioneerden: de babyboomers, geboren na de Tweede Wereldoorlog.

Een deel van de oplossing zoeken overheid en deskundigen bij de vermeende welvaart van de ouderen. Er zouden veel ouderen zijn met hoge inkomens, flinke vermogens en een eigen huis, waarvan de hypotheek is afgelost.

Het beeld wordt soms fel gekleurd. Zo merkte Hans Hillen, voorzitter van het College van Zorgverzekeraars, vorig jaar op dat de 'grijze golf' te veel consumeert: 'Ze reizen er maar op los.'

Nieuwe plannen betreffen verhoging van de ingangsleeftijd van de AOW naar 67 jaar. Voorts hebben commissies uit de SER en het parlement ervoor gepleit om rijke ouderen te laten meebetalen aan hun AOW.

Maar is dit terecht? De AOW is achtergebleven bij de inkomensontwikkeling. Ook staat vast dat de pensioenen al enkele jaren geen gelijke tred meer houden met de lonen (geen of onvolledige indexering). Voorts zijn het vooral ouderen die getroffen worden door hogere eigen bijdragen voor thuiszorg en de no-claimregeling in de ziektekosten.

De nieuwe voorstellen zijn gebaseerd op vergelijkingen van inkomensgegevens van jongeren en ouderen. Die vergelijkingen worden vooral getrokken aan de hand van sterk vereenvoudigde maatstaven, namelijk gemiddelden. Dan lijken tussen de besteedbare inkomens van echtparen jonger dan 65 jaar en die boven de 65 slechts geringe verschillen te bestaan (respectievelijk 25 en 20 duizend euro).

Een gemiddelde is echter een zeer ruwe maatstaf, want door het comprimeren van veel gegevens in slechts één getal gaan veel nuances verloren. Nuances , die soms heel wezenlijk zijn, want zo'n maatstaf levert geen informatie op over de inkomenscategorieën afzonderlijk, bijvoorbeeld over alléén de hogere of alléén de lagere inkomens.

Dit twijfelachtige gebruik van cijfers en maatstaven roept argwaan op, want meer in het algemeen kan de vraag gesteld worden of men bij de beschouwingen over het vergrijzingsprobleem wel uitgaat van de juiste cijfers en maatstaven. Veel gegevens worden immers achteloos voor waar aangenomen.

Doordat de babyboomers als oorzaak worden aangemerkt, wordt de aandacht afgeleid van een andere factor, namelijk de geboortedaling die omstreeks 1970 is ingezet en die tot een blijvende 'babydip' heeft geleid. Het zijn namelijk deze babydippers, dus de mensen die nu jonger zijn dan 35 jaar, die in de toekomst de kosten moeten opbrengen.

Cruciaal is echter dat dit pas in de volle omvang op langere termijn het geval is, namelijk over 30 jaar. Tot die tijd dragen hun voorgangers, de babyboomers, nog steeds bij aan de kosten. Globaal gesproken slaat de vergrijzing de eerste 15 jaar nog niet ernstig toe. Voorspellingen voor na die tijd - dus op een heel lange termijn - zijn hachelijk. Hoe groot het probleem dan nog is, blijft dus onzeker. Dit relativeert het vergrijzingsprobleem aanzienlijk.

Een volgende veronderstelling betreft de toenemende levensduur. Uit de CBS-publicatie van december 2005 over de toekomst van onze levensverwachting blijkt dat de levensverwachting van een 65-jarige man sinds 1960 slechts gestegen is van 79 tot 80,5 jaar, dus met niet meer dan 1,5 jaar. (Voor vrouwen is het iets meer.) Opnieuw een relativering van het vergrijzingsprobleem.

Een volgend aspect betreft de kostendruk. Mede gevoed door opmerkingen van politici en ook wetenschappers, zijn velen gaan geloven dat de AOW onbetaalbaar wordt. Econoom prof. Paul de Beer vecht dit aan: de uitgaven voor de AOW zullen in 2030 niet meer bedragen dan 7 procent van het bruto nationaal product, dat is slechts 2 procent meer dan thans het geval is (dit onder de veronderstelling dat de AOW iets achterblijft bij de hoogte van de lonen, zoals tot dusver het geval is).

Ten slotte de veronderstelling over de rijkdom van ouderen. Hierboven is reeds vermeld dat er gegevens zijn die op relatieve rijkdom van ouderen lijken te duiden, maar dat dit gebeurt aan de hand van gemiddelden, die als maatstaf veel te grof zijn. Het is echter met CBS-gegevens ook goed mogelijk om de gegevens naar klassen van inkomens te groeperen. We voerden dit in eerste instantie uit voor de bruto inkomens in plaats van de besteedbare. De discussie draait immers om hogere lasten en die drukken in eerste instantie op de bruto inkomens. In de bijgaande grafiek is het resultaat weergegeven. Wat blijkt: er is geen sprake van rijkdom, maar juist van een drastische inkomensval in de ouderdom.

Gemakshalve leggen we de grens van hoge inkomens bij 40.000 euro per jaar (de donkere balken in de grafiek). Er zijn vanaf het 65ste jaar veel minder hoge inkomens (14 procent) dan bijvoorbeeld in de leeftijdsklasse van 45- 50 jaar (70 procent). In plaats van veel rijke ouderen zijn er dus veel arme ouderen (lichte balken). De tussencategorie van 20.000 tot 40.000 euro die in de grafiek is weggelaten, verandert het beeld niet wezenlijk. Ook als men het grote aantal alleenstaanden onder 65-plussers in rekening brengt, blijven de verschillen groot en dit geldt ook als we in plaats van de bruto inkomens de besteedbare inkomens bezien.

Een veel gehoorde tegenwerping is dat het beeld in de toekomst zal veranderen door de stijging van de pensioenen. Die toename zou dan wel bijzonder groot moeten zijn. Hoe groot die stijging zal zijn is onzeker, want de pensioenregelingen zijn de laatste jaren versoberd en de welvaartsvastheid is aangetast.

Uit andere CBS-gegevens blijkt dat de helft van de ouderen geen eigen huis heeft en dat een groot aantal weinig of geen vermogen heeft. Men kan zonder meer spreken van een drastische inkomensval in de ouderdom.

De huidige maatregelen en de voornemens zullen zeker niet bijdragen aan een verbetering van deze situatie, maar zijn integendeel nadelig voor de fase van de ouderdom. Dit treft niet alleen de ouderen van nu. Ook de huidige jongeren lopen later in dezelfde inkomensval.

Prof.dr. G.P.A. Braam is emeritus hoogleraar sociologie en onderzoeksmethoden aan de Universiteit Twente en mede-redacteur van het Tijdschrift voor Gerontologie en Geriatrie.