Ledematen en zwaailichten

Het clubcircuit trekt kunstenaars aan om performances te geven op dansfeesten. Het publiek vergaapt zich aan paaldanseressen met bivakmutsen. “Voor burgerlijke mensen is het soms al heel wat.“

Het is 27 december 2005. In Paradiso, Amsterdam, verzamelen zich 1.200 mensen voor de tweede editie van Manifesto, een groot, jaarlijks terugkerend dansfeest. Het thema is disaster, een verwijzing naar de rampen van het afgelopen jaar. “Noodingang', staat er boven de deur. Binnen in de zaal daalt een opblaasbare vliegtuignoodtrap vanaf het balkon naar beneden. Naast de bar hangt een bordje met instructies: hoe het vliegtuig te verlaten bij een ramp. “High on hope, not on heroes' staat erbij.

De uitgelaten bezoekers, tussen de achttien en de veertig jaar oud, zijn verkleed als Bin Laden of de Twin Towers van karton, ze dragen maanpakken, shirts van het “tsunami 2004 surf team', helmen van de “fUN' in plaats van de “UN'. Tussen hen door lopen performers: enorme bossen haar met ranke damesbenen eronder, paaldanseressen met zwarte bivakmutsen met gezichtshaar van neonwol erop. Het podium voor de dj's is bezaaid met ledematen en zwaailichten; erachter worden bliksemschichten geprojecteerd. De muziek wordt een paar keer onderbroken voor de in Superman-T-shirt gehulde dichter Janus Nostradamus, die een van zijn eigen “rampengedichten' voorleest. In de kelder speelt punkband Malle Pietje en zijn Bimbo's. Mode-ontwerper en zaal-host Bas Kosters danst er zo wild bij dat hij steeds op de grond valt.

Drijvende kracht achter Manifesto is Joost van Bellen, vierenveertig jaar, vanavond uitgedost als electro-ster Miss Kittin, in verpleegsters-outfit en met zwarte pruik en snor. Van huis uit is Van Bellen diskjockey; hij werd beroemd als “directeur artistique' van de Amsterdamse nachtclub RoXY. Sinds 1998 is hij mededirecteur van party-organisatie Meubel Stukken.

Na het afbranden van de RoXY in 1999, toen in Amsterdam “de boel even helemaal op zijn gat viel“, begon Van Bellen zelf feesten te bedenken, waarbij de styling, van flyers en decors tot performances, weer even belangrijk was als in de hoogtijdagen van de RoXY tien jaar eerder. Het publiek “at de hele week bonen om in Gucci aan te kunnen komen“, zegt hij.

Nu is Van Bellen alomtegenwoordig. Behalve Manifesto organiseert hij onder meer het Oud Hollands Acidfeest, Club Filth en Rauw, een maandelijks weekend rock'n'rave dat begint in Club 11, boven het Stedelijk Museum CS in Amsterdam, en eindigt in het Utrechtse Tivoli. De tijden worden beter, zegt van Bellen. “De economie trekt weer aan, in de stad is een aantal nieuwe clubs geopend. De gemeente begint eindelijk het culturele belang van het clubcircuit in te zien. Maar daar hebben we flink voor moeten lobbyen.“

Er deden en doen ontelbaar veel kunstenaars mee aan de feesten van Van Bellen, van onbekende tot gevestigde namen: mode-ontwerpers Aziz, Bas Kosters en Saskia van Drimmelen, gebroeders Silvestri, performance kunstenaars als Frans Piek en Nepco, videokunstenaars Daniëlle Kwaaitaal en Gerald van der Kaap. Er treden hedendaagse dichters of als Vin-e en Bunty op, en muziek-acts als het twintigjarige “podiumbeest' Elle Bandita, Mu en Princess Superstar.

Creativiteit te over dus, maar de verhoudingen in het wereldje zijn zakelijker dan vroeger. Van Bellen: “Performers willen nu voor elke klus betaald krijgen. Iedereen denkt dat je aan de feesten heel veel verdient, maar dat is niet zo. Het kost geld om kunst-achtige dingen te doen.“

'Pil Fortuyn'

Met het Stedelijk Museum, zijn onderburen in 11, bestaat er volgens Van Bellen “nauwelijks een wisselwerking“. “Het is daar absoluut een stoffige boel. Ze zouden hier eens moeten komen, om te zien wat er gebeurt en wat jongeren beweegt.“ Tijdens de opening van een expositie over populisme in het Stedelijk, vorige zomer, organiseerde Van Bellen in 11 een feest waar een Pim Fortuyn lookalike met de naam “Pil Fortuyn' kwam draaien en goochelen. Van de museumstaf kwam er haast niemand. En waar blijft de overheid eigenlijk? Hij zou subsidie moeten aanvragen voor zijn feesten, zegt van Bellen. “Door al die kunstenaars die wij uitnodigen, ook uit het buitenland, brengen we de jongerencultuur een stapje verder. De overheid zou dat moeten steunen.“

“Het is niet ons doel om een actieve rol in de kunsteducatie te spelen“, zegt Paul Brouwer (32) van ID&T, de grootste dance-organisatie van Nederland. “Maar misschien doen we dat toch wel eens.“ Na een zakelijk slechte tijd waarin ID&T zijn tentakels naar onder meer een restaurant, een tijdschrift en een radiostation uitstak, concentreert het bedrijf zich nu weer op z'n core business: vier grote dansfeesten per jaar, waar in totaal zo'n 250.000 mensen van 18 tot 34 jaar op afkomen, “van bouwvakkers tot advocaten“. Brouwers is manager van Mystery Land, ID&T's zomerse “dance festival' in de Haarlemmermeer.

“Vroeger organiseerden we gewoon feestjes“, zegt Olga Zegers (35), net als Joost van Bellen afkomstig uit de RoXY-stal, en bij ID&T verantwoordelijk voor de artiesten. “Nu willen we meer. Want mensen onthouden juist de rare, artistieke dingen die we laten gebeuren. Gigantische poppen die ze zelf kunnen beschilderen, een act met lilliputters, een enorme houten “Fools Ark' van de Amsterdamse kunstenaar Dadara als decor. Daar horen we ze maanden later nog over.“

Voor de vormgeving van de feesten struinen ID&T-medewerkers nu kunstacademies en broedplaatsen af, op zoek naar nieuw talent. Duncan Stutterheim, een van de oprichters van ID&T, is een steeds fanatieker verzamelaar van voornamelijk fotografie en heeft een eigen galerie, Galerie Home.

Brouwer was onlangs op de Design Academy in Eindhoven, en was blij verrast om te ontdekken dat ID&T onder de studenten een goeie naam had. “Ze kwamen allemaal enthousiast op me af“, zegt hij. “Grote namen als [multimediakunstenaar] Micha Klein hebben het pad naar ons als opdrachtgever geëffend, denk ik. Wij hebben kunstenaars nodig voor hun creativiteit, en bezorgen ze in ruil een veel grotere naamsbekendheid. Onze websites worden gigantisch goed bezocht, ook door mensen die nooit naar een galerie of een museum zouden gaan. Dikke kans dat ze eens doorklikken naar een biografietje van een kunstenaar.“

ID&T stuurt zijn kunstenaars wel bij. Brouwer: “Toen Micha Klein het campagnebeeld voor Mysteryland ontwierp, hebben we regelmatig met elkaar aan tafel gezeten. Je probeert samen uit te vinden wat het beste bij het evenement past. Maar de kunstenaar bepaalt, hij krijgt het volse vertrouwen.“

Niet choqueren

Olga Zegers: “Onze acts kunnen niet zo ver gaan als vroeger in de RoXY, met mensen die op het podium hun eigen kots opdrinken en zo. Het doel is niet om te choqueren, maar om te verrassen.“

“Een deel van het ID&T-publiek kan wel wat kunsteducatie gebruiken, om het diplomatiek te zeggen“, zegt Sasja Strengholt (32). “Maar ze zijn heel open en enthousiast. Ze vinden het cool wat je doet, en ze zitten nergens aan.“

Met haar tweelingzus Maaike vormt Sasja Deux d'Amsterdam, een bedrijfje in kleding en performances dat vrijwel alleen op feesten werkt. De zussen zijn opgeleid in modemanagement en design, en kwamen ruim tien jaar geleden als dansende tweeling-act in het nachtleven terecht dankzij hun hartstochtelijke uitgaan, “als consumenten“. Nu werken ze vanuit een atelier, en huren ze dansers en acteurs in voor hun acts. Deux d'Amsterdam op je feest - dat kost geld, dat geven ze meteen toe. Maar dat is juist goed. “We betalen onze performers zelf ook altijd. Als je mensen betaalt, kun je kwaliteit eisen, en ze aanspreken op bijvoorbeeld alcoholgebruik.“

Of het nou entertainment of kunst is wat ze maken, daar zijn de zussen niet over uit. Hun ouders zijn kunstenaars, die maken schilderijen en installaties, maar zij? Kunst stelt vragen, en wat wij doen is vermaak, zeggen ze eerst. Maar dan: die levensgrote knuffelpoppen die ze laatst bij de uitgang van de hippe Bread & Butter-modebeurs in Berlijn het publiek lieten omhelzen, daar waren mensen echt door ontróerd. Datzelfde, sophisticated publiek maakte ongegeneerd foto's van het kruis van hun paaldanseressen, terwijl die grove, gezichtsbedekkende bivakmutsen op hadden, bedoeld “om het pornorandje er vanaf te halen“. “Soms is het paarlen voor de zwijnen“, verzucht Sasja.

“Er zijn gradaties in de kunst“, zegt Joost Van Bellen. “Matthew Barney of Gerald van der Kaap, dat is kunst met een grote K. Dan heb je de meer toegepaste kunst, zoals mode en grafische vormgeving. En sommige dingen die wij doen zijn plat vermaak, maar dan weer zo absurd dat je ze óók als kunst kunt zien. Stel je een optreden van carnavalsduo De Twee Pinten voor, met op de achtergrond een SM-ballet met grote erecties. Wat De Twee Pinten dan weer niet doorhebben. Dan gebeurt er toch iets?“

Levend banket

In de Supperclub, een restaurant en lounge-club aan de Jonge Roelensteeg in Amsterdam, zijn zeven dagen per week, twee keer per avond performances te zien, van zingende travestieten tot tableaux vivants tot bhutodans. Artistiek leider Zjef van Besouw (45) werkt met zo'n 25 vaste performers, voor wie hij geregeld zelf acts bedenkt. Hij laat een naakte jongen opdienen als levend banket, of zorgt voor een “dansende', in lycra verpakte tafel.

Net als Van Bellen betreurt Van Besouw de zakelijke houding van de jonge generatie. “Het gaat meteen over geld. Ik heb heel veel voor niks gedaan, omdat ik voelde dat het moest, omdat ik een publiek nodig had.“ Van Besouw begon met performances tijdens zijn opleiding theatervormgeving aan de Rietveld Academie, eind jaren tachtig. Met de “safe sex guerilla' promootte hij veilig vrijen op scholen en in discotheken, soms met yoghurt spuitende dildo's om; voor zijn “skinheadmachine' schoor hij per advertentie opgespoorde Duitse jongens kaal in een theaterdecor.

In 1991 scoorde Van Besouw opeens een hit in het officiële kunstcircuit: voor zijn leren “penisschoen', waarvan de neus op ingenieuze wijze verbonden kon worden met het geslachtsdeel van de drager, stonden de musea in de rij, “van de Kunsthal tot het Amsterdams Historisch Museum“. “Eerst vond ik het leuk om erbij te horen“, zegt hij. “Maar na een jaar of zes dacht ik: allemaal leuk en aardig, maar dit levert niks op. Ik kan er niet van leven.“

Hij richt zich sindsdien weer op de nacht. “Daar vind je de underground, daar worden grenzen verlegd. In musea is voor performances nauwelijks een plaats. En het uitgaansleven is laagdrempelig, je hebt er direct contact met het publiek. Ik maak mijn dingen voor mensen, niet voor een museum. Als ik een twinkeling in hun ogen zie, of als ze me na afloop vertellen hoe ze het hebben beleefd, dan denk ik: ja, dit is het.“

Voor de Supperclub kuist hij zijn performances een beetje, maakt hij de pakken minder bloot. “Voor burgelijke mensen is het vaak al heel wat.“ In een museum zou hij alleen weer willen werken als hij er “iets echt nieuws“ mocht doen. “Kunst is voor mij: een beeld dat op je netvlies brandt. Waar of wat dat is, dat maakt niet uit.“

Zie ook www.meubelstukken.nl; www.id-t.com; www.deuxdamsterdam.nl; http://members.chello.nl/~thebasement/