Kennedy was onze beschermengel

De carrière van Eric Andersen begon in het New York van de jaren zestig, samen met die van Bob Dylan. Na veertig jaar ontdekte hij opnieuw de blijvende waarde van teksten en muziek uit die tijd.

Stel je voor: je bent een twintigjarige romanticus en na een mislukte medicijnenstudie van de oostkust naar San Francisco gelift, de winds of change in de rug. Je vindt er aansluiting bij de scene van beat-dichters als Jack Kerouac, Neal Cassady en Allen Ginsberg. Dan wordt het 22 november 1963. Het onbevattelijke nieuws drupt in de loop van die dag je hoofd binnen. Uiteindelijk zie je Walter Cronkite tegen zijn tranen vechten als hij zegt: “Om 13.00 uur plaatselijke tijd is president Kennedy overleden in het Parkland Memorial Hospital in Dallas.“

In die optimistische tijden is het je eerste confrontatie met de echte wereld. Je deelt je shock met deze en gene die “verdwaasd als een telefoonpaal' over straat zwerft. 's Avonds beland je op een literaire avond bij beat-dichter Lawrence Ferlinghetti. Daar is de sfeer onthecht, alsof er niets gebeurd is. Men leest elkaar gedichten voor. Drinkt goedkope wijn. Neal Cassady, net terug uit Mexico met een zak superieure weed, draait de ene joint na de andere.

Verward en beneveld zoek je aan het eind van de avond het toilet op. Dan wordt er zachtjes maar dwingend op de deur geklopt. Je doet open en daar staat een spiernaakte Allen Ginsberg met in zijn armen een porseleinen kom braaksel en rode wijn. Of hij er even bij mag.

Er zijn er in de jaren zestig door minder schokkende ervaringen van poëtische ontluistering in het gesticht beland. Zo niet singer-songwriter Eric Andersen (Pittsburgh, 1943). In weerwil van de wijsheid “wie zich de jaren zestig nog kan herinneren, is er niet echt bij geweest', schreef hij er veertig jaar na dato een ruim 26 minuten durend episch gedicht over, dat op een ondergrond van jazzy toetsen, basgitaar, drums, mondharmonica, tenor-sax, melodica, fluit en trompet in 2003 op zijn cd Beat Avenue terechtkwam.

Nu, in een buurtcafé op steenworp afstand van zijn woning in de Utrechtse wijk Lombok, spreekt Andersen nog steeds over die dag als “een radicaal vertrekpunt': “Het was een bitterzoete dag, een verwarrende ervaring. Die onthechting van de beat-dichters had ermee te maken dat ze veel meer van de wereld hadden gezien dan mijn generatie. De jeugd denkt immers altijd dat ze onsterfelijk is. En voor ons was Kennedy behalve een beschermengel ook het symbool van de mogelijkheid tot verandering. Het was die dag alsof die grote vogel onder wiens beschermende vleugels wij ervan droomden de wereld te veranderen opeens uit de lucht geschoten was en het verblindende licht van het geweld ons voor het eerst recht in de ogen scheen. Terwijl we juist bezig waren met een afrekening met de Eisenhower-tijd, de tijd van het geplastificeerde namaak-Amerika, dat iedere dag de huiskamer ingeblazen werd.

“Mensen als de beat-schrijver Burroughs wisten dat dit Amerika schijn was en waarschuwden al eerder voor de controlesystemen die gewoon bleven bestaan. Ginsberg was net terug uit Vietnam en Cambodja; hij wist wat daar gebeurde en deed niet sentimenteel over Kennedy. Die was voor hem inwisselbaar. Ze hadden gelijk: de wereld is niet mooi en zal het ook nooit worden. Toch voelde ik die avond ook dat er van de dingen die zij deden iets verschoof naar dat waar wij mee bezig waren.“

Janis Joplin

Andersen was toen zelf vooral bezig met het zoeken naar de combinatie tussen zijn poëtische aandriften en een melodie. Een combinatie die voortkwam uit een jeugd met literair geïnteresseerde ouders, een vriendenclubje dat behalve de beats ook Rimbaud las en optredens op zijn middelbare school van de Everly Brothers en Buddy Holly. Of Elvis, die hij in zijn gouden pak zag optreden in Buffalo.

In de dagelijkse praktijk van 1963 betekende het dat hij in San Francisco met gitaar en liedjes optrad in de Coffee Galery, afwisselend met Janis Joplin. Hij op woensdag en vrijdag, zij op dinsdag en donderdag. Een paar weken later werd hij ontdekt door singer-songwriter Tom Paxton die hem uitnodigde naar New York te komen. In de koffiehuizen van de Village belandde hij in de “potpourri van invloeden' die het teken van die tijd zouden vormen. “Dat kleine clubje singer-songwriters dat zo ontzettend veel te zeggen had, in tegenstelling tot de enorme hoeveelheid van nu, die zo weinig te zeggen heeft.“

De afgelopen twee jaar is Andersen, na een carrière van veertig jaar, teruggekeerd naar het erfgoed van die periode waar het ook voor hem echt begon - één van de rijkste uit de moderne Amerikaanse muziekgeschiedenis. Nam hij op al de vijfentwintig platen en cd's die hij sinds zijn debuut Today is the Highway (1965) uitbracht zelden of nooit een cover op: in 2004 verscheen The Street was Always There met behalve het titelnummer maar één andere eigen compositie naast klassiekers als Buffy Sainte-Marie's “Universal Soldier', Dylans “A Hard Rain 's A-Gonna Fall' en Phil Ochs' Vietnam-lied “White Boots Marching in a Yellow Land'. En werk van bijvoorbeeld Peter La Farge en Fred Neil.

Onlangs kwam de tweede cd uit in die “Great American Song Series': Waves, waar ook Tim Buckley, Tom Rush, Richard Farina en Tom Paxton een saluut wordt gebracht. Maar alles wel in de typische arrangementen tussen jazz en blues en gezongen met de gruizige bariton die de late Eric Andersen kenmerken. “Ik zou er toen niet aan gedácht hebben om werk van anderen uit te voeren“, zegt hij. “Het ging er juist om dat iedereen daar zijn eigen liedjes zong. Dat was nieuw. De muziekindustrie was er voor vermaak, voor dansmuziek, en werd gedreven door songwriters-fabrieken als Nashville, waar een heel team teksten schreef die door anderen werden uitgevoerd. Daar waren de producers de baas.

“Daar braken wij mee, onder invloed van anomalieën als Hank Williams en Jimmie Rodgers, die altijd al hun eigen teksten schreven, en van de directe taal van de delta-blues die we leerden kennen. Maar ook door de verhalende ballads uit de Appalachen die in de Schotse en Ierse traditie stonden. De rock'n'roll deed zijn bevrijdende werk en uiteindelijk leerden we van jazz-cats als Miles Davis en John Coltrane dat je niet aan tijd gebonden was. Dat je nummers van tien, twintig minuten kon maken. Dat kwam goed uit, want wij wilden verhalen vertellen.“

Bij het terughoren van de liedjes die Andersen verzamelde valt op hoe weinig ze van hun zeggingskracht hebben verloren. Politiek bijvoorbeeld: vervang het Aziatische geel in Ochs' “White Boots' door een Arabisch koffiebruin en je bent in Irak, naadloos. Het was hetzelfde gevoel dat Andersen tot zijn cultuurhistorische exercitie bracht. “Ik kwam in Noorwegen, waar mijn ex-vrouw en mijn kinderen wonen, toevallig werk van Peter La Farge tegen. Ik heb hem goed gekend in de dagen dat hij “The Drunken Ballad of Ira Hayes' schreef over de indiaanse Iwo Yima-oorlogsheld die zo propagandistisch werd uitgebuit dat hij aan de drank raakte. Een paar dagen na de confetti en de toespraak van de burgemeester verdronk hij in een greppel op het reservaat. Dat werk was nog zo goed. It killed me. Ik dacht: hoe kan het dat deze man vergeten is?

“Zo is het gaan rollen. Die politieke teksten zijn nog net zo waar als toen: er is een oorlog gaande en er wordt over gelogen. Ik had daar altijd een meningsverschil over met Dylan. Die zei: Phil Ochs is geen muziek, dat is journalistiek. Dat houdt geen stand. Dat vond hij van Pete La Farge ook. Nu zijn we het eens: hij heeft La Farge gebruikt in zijn film met Scorcese. Typisch Bob, hè, altijd de dief. Maar ja, T.S. Elliot zei al: “slechte dichters imiteren, goede dichters stelen'.“

De politiek was echter niet Andersens voornaamste motief. “Ik ben nooit zo politiek geweest, al ben ik ook als burgerrechtenactivist naar Mississippi gegaan om zwarte kiezers te helpen registreren. Ik ben er beschoten. Ik heb er “Thirsty Boots' over geschreven. Maar ik hield me in die tijd al meer bezig met de innerlijke oorlogen, de interne landschappen. Wat me trof in die muziek was dat het een canon is, zoals je een canon hebt van de ragtime, of van de dixieland, of de rock & roll of heavy metal. Dit is de canon van de singer-songwriters.“

Andersens terugkeer naar die canon betekent niet dat hij de jaren zestig als geheel wil verheerlijken. Want het was, ondanks de verworven vrijheid en de uitbarsting van creativiteit, niet domweg een vrolijke periode. De paranoia lag op de loer, want buiten de Village zag iedereen eruit als FBI-agent. En de dienstplicht, met vervolgens uitzending naar Vietnam, veroorzaakte bij de gevoelige jonge bard - “ik ben geen oorlogsmateriaal“ - dusdanige hoofdbrekens dat hij zonder er voor te hoeven acteren wegens geestelijke instabiliteit werd afgekeurd. Althans zo viel op te maken uit het briefje dat hij na de keuring ontving van de geestelijke gezondheidsdienst in New York. “Meneer Andersen“, zo luidde de mededeling, “onze deur staat altijd voor u open.“

Mississippi

En Andersen, die gold als de beau van New York en wiens omvangrijke oeuvre doortrokken is van gewonnen en verloren, geconsumeerde en smachtende liefde, wil zelfs een eindje meegaan in de moralistische kritiek waar de beginjaren van zijn artistieke loopbaan tegenwoordig aan onderhevig zijn. Al wijt hij de aberraties van de vrije liefde vooral aan “de hippiebeweging'.

“Daar heb ik nooit iets mee gehad. Ik had altijd de literatuur en dan krijg je toch vanzelf bepaalde waarden mee. Al zijn het maar literaire waarden: leren denken in contrasten, in tegenstellingen. Die hippies lazen nooit een boek. Die lazen hooguit strips, of zeiden: “groovy, ik lees wel levens of gezichten'. Dan kan het gebeuren dat iemand je de beste dope geeft, een prachtig tie-dye-shirt, en je vervolgens uitnodigt om met zijn dochters te slapen. Dat is inderdaad totaal ontspoord in de jaren zeventig.“

Andersen sluit ook niet uit dat onze kijk op zijn tijd te maken heeft met een ontdekking die hij heeft gedaan sinds hij, opnieuw met de liefde als drijfveer, in Nederland woont: “Ik ben er achter gekomen dat het mythische liberale Holland in feite een façade is voor een door en door calvinistisch en katholiek land. Waar het nog heel erg lang vanzelfsprekend was dat je trouwde met je vriendinnetje van de middelbare school. Amerika is nu behoorlijk straight, al zijn er nog genoeg freaks. Maar het Amerika van toen was niet zo. Wanneer ik hier op tournee was met mijn vriend de zanger Townes van Zandt hadden we een standaardgrap: het Nederlandse landschap heeft meer rondingen dan de meisjes waar wij het op ons dertiende al mee deden.“

Voor wat de amateur-sociologische observaties van Eric Andersen waard zijn: zijn oordeel over en zijn keuze uit het muzikale materiaal van de jaren zestig is zuiver genoeg. Zoals ook de jaarlijkse concerten bewijzen die hij onder het motto “Woodstock Under The Stars' in de gelijknamige plaats in het noorden van de staat New York organiseert. Deze zomer verschijnt een live-cd waarop ook de optredens van grote namen uit die tijd als John Sebastian, Happy Traum en Paul Siebel - die inmiddels als gepensioneerde gras liep te maaien voor een gemeente in Maryland.

Rest de vraag of er ook een derde deel komt van de “Great American Song Series'. Andersen: “Ik denk het niet. Ik wil toch weer terug naar mijn eigen werk. Er staat een cd op stapel over het thema seksualiteit. En er komt een bundel korte verhalen. Ik heb het papier van het cadeautje afgehaald. De mensen moeten het nu verder zelf uitpakken.“

In het radioprogramma “Down From The Mountain' op 3voor12, de muziek-website van de VPRO, geeft Chris Kijne deze week een overzicht van de muzikale carrière van Eric Andersen: www.vpro.nl/downfromthemountain Voor informatie over cd's en aanstaande optredens van Eric Andersen in Nederland: www.ericandersen.com “Thirsty Boots' verscheen oorspronkelijk in 1966 op Andersens tweede cd voor Vanguard: “Bout Changes & Things', die onlangs opnieuw is uitgebracht. Een nieuwe uitvoering staat op zijn meest recente cd “Waves'