Jezus, kijk die klok eens om zich heen kijken

Wat bij herlezing van het dichtwerk van Kees Ouwens (1944-2004) bovenal verrast, is de consistentie van toon en inhoud. Niettemin maakte de dichter tussen zijn debuut Arcadia (1968) en zijn postume bundel Ben jij het, ik? onvoorspelbare wendingen. Wie de heldere Reve-imitaties uit Arcadia naast de illusieloze, complex verwoorde zelfintrospecties uit Mythologieën (2000) en latere bundels legt, zal niet dadelijk dezelfde schrijvershand vermoeden. Steeds meer liet Ouwens de vanzelfsprekendheid uit zijn taal verdwijnen. Niet alleen de zins- of regelbouw is dikwijls barok, ook de woordkeus lijkt onbegrensd.

Kees Ouwens Foto Roeland Fossen Fossen, Roeland

Ouwens schrok er niet voor terug om in één gedicht woorden als kristallisatie, aggregatie, compareren, consequentie, inconsistentie, onstoffelijkheid, confisqueren en paralisering bijeen te brengen. Dat kreeg niet overal waardering. Het retorische jongleerwerk in zijn latere bundels bezorgde hem de twijfelachtige reputatie van onleesbaar dichter. In Vrij Nederland noemde Rob Schouten het “koeterwaalse waanzin en mafkezerij' en in deze krant verweet Maarten Doorman Ouwens “schaamteloos cryptisch gestamel [...], overdadige woordinversie en algehele cryptogrammania'.

Een “duistere' dichter misschien, maar onleesbaar? In Ben jij het, ik? laat Ouwens van gene zijde nog één keer zien wat hem dreef. Bij het schrijven stond hij oog in oog met de dood, die dan ook ruimschoots meelift in veel van de 42 gedichten. Opvallend is de ondraaglijke lichtheid waarmee de dichter “de niet af te beeldene' presenteert. “Als jij mij doodt, tijd, verander // ik jou in net zo'n verandering' begint een vers, en een ander gedicht opent met “De dood de werkelijkheid als een tv uitzettend'. Ook in de laatste regels van de bundel biedt de dichter een eigenzinnige interpretatie van het einde:

En zal een god, noemend zich

mens, mij ontdekken

komen, ter verkenning hem

bieden zal ik

niet mijn ziel maar mijn lichaam

In Ben jij het, ik? is de dichtersziel nog springlevend. Zoals in de drie vorige bundels is ook hier in vrijwel ieder vers sprake van een inwendige tweespalt. Vaak zwaar op de hand verwoord, maar nooit onhelder voor wie echt lezen wil, en niet zelden met zelfspot. Niet alleen de titel van de bundel wekt een glimlach; ook de gedichten hebben dikwijls een speelse aanhef. “Jezus, kijk die klok eens om zich heen kijken' bijvoorbeeld, en “Het gedicht ,,Je kan stellen dat niet ik de mosselman ben'' heeft me bijzonder geïntrigeerd, Wieland'. Ook in andere verzen spreekt Ouwens Wieland aan, en er zijn meer raadselachtige personages, zoals een zekere Godhelp.

“De leegte van de gesproken woorden / hun geschreven versie tegenwerpen' noemt Ouwens het dichterswerk. Dat is geen eenvoudig proces. De toon is weliswaar constant, maar de woorden zwerven, lijkt het, ongeleid over de pagina. Er is geen vaste vorm, maar het wit fungeert als een soort verkeersleider. “Merkwaardig, die korte regels?' vraagt de dichter zelf:

Of het niet met andere middelen kan

Er zijn alleen andere middelen

Alsof het niet met andere

middelen kan

zijn er alleen andere

middelen, doorhalen

wat niet verlangd wordt kan

echt niet, geen

velden dan ook geen wegen,

immers, je staande

houden door open te baren, bij

voorbeeld: een jaap

hechten, hoofdletters gebruiken,

de volgende uitspraak

recenseren: recenseer de vorige

uitspraak: of

ik me beval wou je weten > zijn

paddestoel

kauwen maar het niet te bont

maken []

Dan volgen nog zeventien, allengs ontregelende regels, eindigend met “is, watertandend de mooie woorden / uit je schone mond // vallen'.

Dit gedicht is kenmerkend voor wat Ouwens als “vorm-nomade' (zoals Aart van Zoest hem ooit noemde) beoogt. Opmerkelijk is dat de terloopsheid van de formulering in tegenspraak schijnt met het belang van wat er gezegd wordt. Zoals bij alle goede dichters zijn ook bij Kees Ouwens de dingen niet wat ze lijken te zijn, of zelfs zijn. Bewust zoekt de dichter de goddelijke oorsprong of mythe. Het absolute dus. Wat dat zou kunnen zijn, wist de dichter zelf niet onder woorden te brengen. ,,Het is bijna niet te formuleren,'' zei hij in 1996 in een interview in de Poëziekrant. ,,Daar moet ik voor gaan zitten. Daarom schrijf ik gedichten.'' Op die manier werd elk van zijn verzen een nieuwe zoektocht. Het opeenstapelen van mogelijkheden en een veelvuldig gebruik van het vraagteken zijn dan ook kenmerken van zijn procédé.

De humor ontbreekt niet, maar er is geen ironie. Daarvoor is het spel te ernstig. Dat blijkt glashelder in de eerste zes coupletten van het gedicht waaraan de bundel zijn titel ontleent:

aangenomen “ik ben het'

op de vraag wie daar is

wat is de aard van dit het?

dat waar het op aan komt

een kei niet een ding is,

wel een baksteen een voorwerp?

de geruststelling dat ik niet

kom moorden?

de deur die in het slot valt

maar zo mooi het houdt?

dat de deur die in het slot valt

eigen is en niet een ander

Vragen te over. Bij zoveel verbazing past “de gewrongenste zegging'. Dat die dan weer vragen oproept bij de lezer is niet alleen rechtvaardig, maar ook een geschenk. “Wat, in godsnaam, heb je uitgevoerd? Heb je - ten / minste - je dag geboekstaafd?' vraagt de dichter zichzelf in “Narcisme'. Dat lijkt me misplaatste zelfspot. Met Ben jij het, ik? laat hij een testament na dat nog lang door zal werken. Waarop lijkt dit werk? Op het werk van Ouwens is het enige antwoord.

Kees Ouwens: Ben jij het, ik? Meulenhoff, 76 blz. euro 17,50