In de lucht

Wat God moge verhoeden: dat mijn zieke lichaam ooit onder veel bekijks door brandweerlieden uit een raam op een hoge verdieping moet worden getild (“Kan-ie?“ “Ja, hij kan!“) om naar het ziekenhuis te worden vervoerd.

Ik zag het onlangs aan een Amsterdamse gracht gebeuren. De brandweer kondigde haar komst ruimschoots tevoren met een pittige sirene aan, zodat de halve buurt op haar gemak kon uitlopen om de gebeurtenis met de handen op de heupen gade te slaan. De ambulancewagen stond al voor het huis toen de brandweerauto arriveerde. Zes brandweermannen sprongen eruit om een verbluffende test in efficiëntie af te leggen. Twee drongen onmiddellijk het huis binnen, de andere vier sprongen op en naast de auto om de ladder in stelling te brengen.

Zo'n ladder, vergeef me het beeld, kun je misschien nog het best vergelijken met een reusachtige penis, die langzaam wordt uitgeschoven en opgetild om de penetratie in het huis te volvoeren. Aan de voorkant zit een plateau met een brandweerman die precies op de hoogte van het openstaande raam moet worden gebracht. De eikel nadert!

We zagen op de tweede verdieping sterke armen die een brancard op het plateau schoven, waarna de ladder voorzichtig in een lastige draai naar de uitgangspositie probeerde terug te keren. De aftocht van de nog onzichtbare patiënt was nu pas goed begonnen.

Hier begon mijn inlevingsvermogen op volle toeren te draaien. Want ik heb last van hoogtevrees en zag mezelf al doodziek op een hoogte van vijf, zes meter in de lucht hangen, terwijl een brandweerman de takken van een iep uit mijn gezicht probeerde te houden. De lucht streek ijskoud langs mijn wangen, boven mij was God, die niet thuis gaf, en onder mij stroomde de gracht.

“Hou je ogen maar dicht“, zei de brandweerman, “luister alleen maar naar de vogeltjes.“

Ik voelde hoe we op het hoogste punt boven de straat hingen en kon het niet laten om even door mijn oogharen naar de brug te kijken, waar vriend en vijand zich hadden verzameld - niet om mij een laatste groet te brengen, maar om zonder te betalen naar een gaaf circusnummer te kijken.

Ik vermande me en was weer terug op aarde - nu als toeschouwer. De patiënt op de brancard was iemand met lang, donker haar, vermoedelijk een vrouw, die volkomen roerloos met afgewend gezicht bleef liggen.

“Ik denk dat ze dood is“, zei een moeder tegen haar zoontje, “want die brandweermannen hebben helemaal geen haast.“

“Als ze dood was, zouden ze wel een zak over haar hoofd hebben getrokken“, zei een man.

Als de patiënt op dat moment heel even het bovenlichaam had opgericht om met een slap handje naar ons te zwaaien, zou dat een gebaar van grote dramatische kracht zijn geweest.

Ik herinnerde me hoe ik eens een patiënt, een man, in Amsterdam-Oost door de brandweer teruggebracht zag worden. Terwijl de ladder hem met zijn bedje op vier hoog het huis induwde, viel het me op dat niemand de man verwelkomde. Daar hing hij, alleen op de wereld en alleen in de lucht.

En dat zo'n man dan toch niet zegt: “Laat me maar gewoon vallen, jongens.“