Hier werd verhoord en gefolterd

Op een onvriendelijke wintermiddag lopen tientallen mensen in Berlijn door een greppel. Winterschoenen klotsen door modder en smeltwater. Amerikanen, Japanners, Duitsers. Er lopen opvallend veel hippe dertigers tussen. Met tassen van de Berlinale. Even een luchtje scheppen tussen twee films.

Peter Zumthors ontwerp nieuwbouw Topographie des Terrors te Berlijn

De tentoonstelling in de openlucht heet “Topografie van de terreur'. Een omineuze naam. Toch is er niet bijster veel te zien. Karig struikgewas. Twee heuvels. Een gammel restant van de Muur. En, in een greppel, de schamele resten van gewelven. Stoffige bakstenen en witte tegeltjes. Van het kwaad rest niet veel.

Het terrein van de “Topografie' is 62.000 vierkante meter groot en ligt midden in het nieuwe Berlijn. De nieuwbouw van de Potsdamerplatz, epicentrum van het filmfestival, is om de hoek. De nieuwe winkels van de Friedrichstrasse zijn niet ver weg. Overal is sinds 1990 gebouwd. Maar hier, aan de Niederkirchnerstrasse, is nog steeds niets. Braakland. Zestien jaar na de val van de Muur. Zestig jaar na het einde van Tweede Wereldoorlog. Dit is een moeilijk perceel.

De gewelven in de greppel zijn de restanten van Hotel Prinz Albrecht en het Prinz-Albrecht-Palais. Hier hadden Gestapo, SS en het Reichsicherheitshauptamt (RSHA) hun hoofdkwartier. Op dit terrein stond de “huisgevangenis' van de Gestapo. Hier werd verhoord en gefolterd. Hier hadden Himmler en Heydrich hun kantoren. Hier werd de genocide georganiseerd.

Wat doe je met een dergelijke plek? In eerste instantie deed men er niets mee. Het terrein werd “vergeten'. In 1950 kroop Bertolt Brecht eens door het prikkeldraad om te zien waar zoveel communisten en sociaal-democraten waren gemarteld. Meer gebeurde er in de eerste jaren na de oorlog niet.

Later werden de gebouwen, die bombardementen en gevechten gedeeltelijk hadden doorstaan, afgebroken. Zonder dat er een haan naar kraaide. Er werd een recyclingbedrijf gevestigd. En een “Autodrom', een cross-circuit voor mensen zonder rijbewijs. De gewelven herinneren niet alleen aan de terreur van het nazisme, maar ook aan de eerste decennia na de oorlog, waarin Duitsers het verleden maar wat graag lieten rusten.

De tijd van “ogen dicht' is al lang voorbij. In heel Duitsland, en zeker in Berlijn. Na kastijdend zelfonderzoek vonden de Duitsers voor nazi-terreur een plek in hun geschiedschrijving. Eind jaren tachtig werden alsnog de gewelven van de terreurcentrale blootgelegd.

In de nieuwe hoofdstad kreeg de Duitse schandvlek in de afgelopen jaren ook architectonische vormen. Even ten zuiden van de Gestapo-greppel bouwde Daniel Libeskind in 2000 het nieuwe Joodse museum. Een kilometer noordelijker werd vorig jaar het nationale gedenkteken voor de volkenmoord van Peter Eisenman opengesteld voor publiek.

Libeskind viert het leven, Eisenman gedenkt de dood. Hun bouwwerken dienen verschillende doeleinden, maar beiden kozen dramatische vormen, kozen voor architectuur van het grote gebaar. Het gebouw van Libeskind is met aluminium bekleed en heeft de vorm van een bliksemschicht. In koude, kille atria wordt de bezoeker bovendien in het halfdonker tot bezinning gemaand. Het gedenkteken van Eisenman is in dramatiek nauwelijks te overtreffen: een immens golvend veld van 2.711 donkergrijze betonnen grafzuilen op de meest prominente plek in de stad.

Als buitenlander, geboren lang na de oorlog, vraagt men zich op beide locaties af of architecten en opdrachtgevers het met de loodzware symboliek niet hebben overdreven. Het is dwingende, onontkoombare architectuur, zwaar op de hand. Een herinnering aan zes miljoen doden kan niet snel te klein zijn. Zeker. Maar wat is adequaat? Eén grafzuil? Duizend? Vijfduizend? Een gedenkteken boet snel aan kracht in als het moralisme er te dik op ligt. Een lastige evenwichtsoefening.

Oorspronkelijk zou op het perceel van SS en Gestapo eveneens een spectaculair bouwwerk verrijzen. In 1993 won Peter Zumthor de architectuur-wedstrijd voor een gebouw waarin de tijdelijke tentoonstelling zou worden ondergebracht. Voor de leek heeft hij het in Die Zeit eens zo omschreven: “Dit huis is op een manier gebouwd die je nog nooit gezien hebt. Het is een uniek gebouw voor een unieke plek. De “Topografie' wordt niet door een gebouw omgeven, maar door een dubbele rij hekwerken die als palen in de aarde staan.“ Zumthor wilde de unieke stadswildernis met de verontreinigde grond niet aan het oog onttrekken. Het terrein moest “door het gebouw vloeien.“

Het werd niks met het visioen van Zumthor. Het gebouw was technisch moeilijk te realiseren. Zumthor's betonnen staven moesten het doen zonder fundament. Bouwbedrijven gingen failliet. Het project dreigde drie keer zo duur te worden als geraamd (45 miljoen euro). Architect en opdrachtgever kregen hooglopende ruzie. Nadat drie trappenhuizen - 19 meter hoog - waren gebouwd, legde de Duitse overheid het project stil. Eind 2004 werden ze met de grond gelijkgemaakt.

Onlangs werd bekend hoe het verder gaat met het lastige perceel. De Berlijnse architecte Ursula Wilms won een nieuw concours met een opvallend bescheiden paviljoen van één verdieping. Functioneel, maar niet dramatisch. Het moet een “neutraal“ gebouw worden, aldus de beschrijving van de architect, zonder “interpretatie van de historische omgeving“, een gebouw dat zich niet op de voorgrond plaatst met een opvallende vormentaal. In 2009 moet het paviljoen af zijn.

Berlijnse kranten meldden het nieuws opgelucht: de klucht rond de torens van Zumthor is eindelijk voorbij. Maar er was ook teleurstelling. De Tagesspiegel noemde het ingetogen ontwerp een gemiste kans. “Nu wordt er geen teken gezet voor een misdaad die niet te begrijpen is en waarmee men zich nimmer kan verzoenen.“

Welbeschouwd is het een geluk dat er geen teken wordt gezet. Berlijn heeft al genoeg theatrale bouwwerken die aan de misdaad herinneren. Aan de Niederkirchnerstrasse is de greppel het teken.

Op het hoogtepunt van de ruzie merkte Zumthor eens sarcastisch op dat de overheid niet meer geld wilde geven voor het project omdat de bezoekers toch wel kwamen. Ook zonder spectaculair gebouw. Vorig jaar trokken de gewelven 390.000 mensen. De stenen, gecombineerd met het struikgewas én de wetenschap dat het hiér gebeurde, zijn genoeg. Toeristen die de winter trotseren om in een greppel nog eens de misdaden van het nazisme te bestuderen, hebben geen belerende architectuur nodig. De bezoeker heeft vooral behoefte aan informatie en een sterke kop koffie. Zumthor's mislukking is een zege.