Een warhoofd aan het hof

De gebedsgenezeres Greet Hofmans woonde al geruime tijd aan het hof van koningin Juliana toen premier Drees in februari 1949 voor het eerst met haar kennis maakte. Een week na die ontmoeting sprak hij met haar onder vier ogen. De koningin had op een nadere kennismaking aangedrongen, omdat zij dacht dat Hofmans hem kon helpen met de maagkwaal waarmee Drees al een levenlang behept was. Beleefdheidshalve, maar ook uit nieuwsgierigheid liet hij zich overhalen en maakte een afspraak.

Het hoofd van Drees stond van nature al nauwelijks naar persoonlijke zaken, maar zeker niet op dat moment. Intussen was er in het kabinet namelijk een crisis ontstaan over het antwoord van Nederland op een resolutie van de Veiligheidsraad die de tweede Nederlandse politionele actie in Indonesië veroordeelde. Het leek Hofmans een geschikt moment om de in het nauw gedreven Drees enige politieke adviezen te geven. Veel lijn kon Drees daar niet in ontdekken, want Greet Hofmans sprak een koeterwaals waar hij geen touw aan kon vastknopen. In de aantekeningen die hij na het gesprek maakte noteerde hij droog veel orakeltaal te hebben aangehoord “die mij niet veel wijzer maakte'. Het gesprek verschafte wel klare aanwijzingen dat Hofmans politieke invloed wilde uitoefenen. Zij wilde Drees doen beseffen, zo noteerde deze in steno, “hoe overwegend de positie van de Koningin in dit opzicht moest zijn'.

In zijn monografie over de rol van Drees in de Hofmans-affaire geeft de politicoloog Hans Daalder, mede op basis van nooit eerder gepubliceerde persoonlijke aantekeningen van Drees, een uitgebreide samenvatting van Hofmans' politieke denkbeelden, die ongekleurd en in alle scherpte de warhoofdigheid van dit koninklijk goedgekeurde medium doen uitkomen. Volgens Hofmans had de Allerhoogste de Koningin op de dag van haar troonsbestijging de opdracht gegeven het Nederlandse volk te verheffen en een nieuwe broederschap met Indië te vormen, “waarnaar ook de Minister President zich zou hebben te voegen'. Daarop volgde de even onbegrijpelijke als kreupele toelichting dat “het erom gaat dat die minister-president vooral zijn activiteit in deze stroom levendig houdt en zijn activiteit in de genoemde sferen bewust en beslist terugtrekt, daar dit zeer spanning gevend is in het beleid zelf en het een voortdurend zwenken is tussen twee wallen'.

Het kabinet had Greet Hofmans al lang van het hof kunnen verwijderen wegens het onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst. Al tweemaal was proces-verbaal tegen haar opgemaakt. Maar om de koningin niet nog meer in opspraak te brengen zag de minister van justitie Th.R.J. Wijers van strafvervolging af. De onbevoegde Hofmans moest wel beloven dat zij geen medicijnen meer zou voorschrijven.

De ironie wilde dat de alternatieve genezeres op aanbeveling van een vriend uit de voormalige Binnenlandse Strijdkrachten door prins Bernhard aan het hof was gehaald, in de vurige hoop dat zij prinses Marijke van haar aangeboren oogafwijking zou kunnen genezen. Het grote wonder waarop de koningin en de prins hadden gehoopt zou zich niet voltrekken, maar dat verhinderde Hofmans niet de koningin in plaats daarvan in de ban van haar heilsboodschap te brengen. Zij slaagde erin op het Oude Loo een aanzienlijke kring van “medegeroepenen' om zich heen te verzamelen, aan wie zij haar goddelijke “doorgevingen' openbaarde. Juliana verklaarde haar “op één lijn te stellen met een profeet uit het Oude Testament'.

Prins Bernhard deelde niet in de verering voor Greet Hofmans. Hij doorzag haar politieke bedoelingen, besefte dat hij zelf een dwaas in huis had gehaald en waarschuwde het kabinet dat zij met haar “alternatieve kerk' een gevaarlijke invloed op de koningin had gekregen. Drees, die Hofmans' aanwezigheid op Soestdijk aanvankelijk met een beredeneerde passiviteit had gadegeslagen, raakte tegen wil en dank, en nog wel midden in de slepende kabinetsformatie van 1956, in de persoonlijke koude oorlog tussen koningin Juliana en prins Bernhard betrokken. Lang hield hij, zelfs tegen de druk van zijn collega-ministers in, vol dat het conflict op Soestdijk een familiedrama was dat de politieke wereld niet aanging en waar hij als minister niet in gemoeid wilde worden.

Ten minste een jaar of drie lukte het Drees Den Haag erbuiten te houden, maar dat was niet langer houdbaar toen de geruchten over ernstige politieke meningsverschillen tussen koningin en prins niet meer tot de familiekring beperkt bleven, maar via de buitenlandse pers (met prins Bernhard als bron) wereldkundig werden gemaakt. Toen Bernhard hoog spel dreigde te gaan spelen, omdat de regering naar zijn mening de zaken te lang op hun beloop had gelaten, werd Drees' ministeriële verantwoordelijkheid tenslotte onontkoombaar geactiveerd. De prins zwaaide met echtscheidingspapieren en raaskalde dat hij zijn vrouw, het staatshoofd, uit de ouderlijke macht zou laten ontzetten.

Van haar kant liet Juliana zich ook niet onbetuigd: zij eiste het ontslag van Bernard als voorzitter van de Bilderberg-conferentie en wilde dat de regering een einde maakte aan zijn ongecontroleerde buitenlandse reizen, onder gelijktijdige verwijdering van zijn secretariaat op paleis Soestdijk.

Drees greep uiteindelijk in, wat ertoe leidde dat Hofmans althans in naam van het toneel verdween en enige reactionaire elementen uit de hofhouding werden weggezuiverd. Bernhard werd gespaard. Sommige ministers en fractieleiders meenden dat Drees eerder had moeten ingrijpen en harder had moeten optreden. Daalder weerlegt die kritiek met overtuigende argumenten, die erop neerkomen dat Drees, gegeven de heftigheid van de persoonlijke tegenstellingen en de koppigheid van de hoofdpersonen in de explosieve situatie van 1956 gehouden was met de uiterste behoedzaamheid te opereren. De uitkomst rechtvaardigde zijn strategie, gesymboliseerd door zijn zegevierende slotsom, die wereldwijd in de pers werd uitgedragen: “There will be no separation, there will be no abdication'.

Hans Daalder: Drees en Soestdijk. De zaak-Hofmans en andere crises, 1948-1958. Balans, 282 blz. euro 19,50