Een verdoemd beroep

Het werk van Ismail Kadare belichaamt de bloedige geschiedenis van de Balkan. Dat blijkt ook uit nieuwe vertalingen van zijn vroege werk, die onlangs verschenen.

Op 20 februari 1991 haalden demonstranten in Tirana het standbeeld van dictator Enver Hoxha omver foto AP A bronze statue of Albania's Communist founder Enver Hoxha falls to the ground while under attack from pro-democracy demonstrators in the centre of the Albanian capital Tirana, Wednesday, Febr. 20, 1991. According to fresh reports reaching Vienna Thursday, soldiers fired shots in the air to disperse another pro-demonstration. (AP-Photo/at/L. Lika-ATA) Associated Press

De sfinx noemen ze hem in Frankrijk, ondoorgrondelijk, onaantastbaar, een overlever. Al decennialang kent de wereld maar één Albanese schrijver, Ismail Kadare, die ondanks de dictatuur in zijn geboorteland een omvangrijk oeuvre schreef en na de dood van dictator Enver Hoxha met zijn familie in Parijs ging wonen.

Hij woont er nog steeds, een groot deel van het jaar, in een immens appartement aan de Boulevard Saint-Michel, tegenover de ingang van het Jardin du Luxembourg. Groot, hoog en leeg is zijn woonkamer: een bank, een lage tafel, een foto van zijn kleinzoon en een televisie die hij af en toe even aan en weer uit zet. De kale ruimte past bij de kleine, compacte man met de grote bril die de ernst zelf lijkt te zijn. Slechts een paar maal kan er een lachje af, tegen het eind van ons gesprek, als het wantrouwen dat zijn tweede natuur is geworden wat is weggeëbd. Een gedoodverfde Nobelprijskandidaat is hij, maar tot nu toe steeds gepasseerd. Naar het schijnt heeft dat te maken met het feit dat het Albanese communistische regime hem lange tijd gedoogde als cultureel visitekaartje - iets wat door westerse critici later tegen hem werd gebruikt. Wel kreeg hij afgelopen juni de Man Booker International Prize, die als een schaduw-Nobelprijs wordt beschouwd.

Onlangs verschenen in Frankrijk drie “microromans' in één band, geschreven over een periode van veertig jaar. Jours de beuverie (1962), La Morgue (1984) en de novelle Un climat de folie (2004), die het boek zijn titel gaf.

In het oudste, absurde verhaal, Jours de beuverie (Dagen van drinkgelag), vertrekken twee rebelse adolescenten naar de stad N. om er zogenaamd het verdwenen manuscript van een beroemde Albanese dichter te zoeken. Ze drinken zich iedere dag onder tafel, zitten achter de vrouwen aan en logeren bij een oom totdat die hen wegens wangedrag uit zijn huis zet. Ze vernielen kerkschatten, roepen dat religie moet worden afgeschaft en zoeken ruzie met lokale dichters die partijdecreten op vers zetten.

“Die novelle schreef ik in 1959 in Moskou“, vertelt Kadare. “Het was een relatief liberale periode, de misdaden van Stalin waren voorbij, er was hoop op betere tijden, studenten geloofden in de toekomst. Ik zat er op het Gorki Instituut, waar schrijvers voor het socialistische regime werden gefabriceerd. Het waren de toekomstige verraders van de literatuur. Dat begreep ik al op de dag dat ik er binnen kwam. Ik had een grote aversie tegen alles wat er in de colleges werd verkondigd. Helden moest je creëren, met een positieve, optimistische levenshouding. Ik nam me voor precies het tegenovergestelde te doen: alles in het negatieve. Jours de beuverie laat zien hoe ik die psychologie heb omgedraaid. De sfeer is decadent, de personages zijn bedriegers, de stad waar het verhaal zich afspeelt is triest en achterlijk, er heerst geen enkele hoop. Iedereen wantrouwt iedereen. Niets kortom, wat de voorgeschreven socialistische sfeer weergeeft, alles precies andersom. Het tijdschrift dat mijn verhaal publiceerde werd veroordeeld. Het verhaal werd nooit meer genoemd, alsof het nooit had bestaan. Veertig jaar lang verdween het uit mijn oeuvre. Tot nu. Zo gaat het in een dictatuur.

“Wat ik schreef was heiligschennis. Van het gevaar dat dit met zich meebracht was ik me niet bewust. Ik was jong. Nu bewijst het dat ik ondanks alles een normaal mens was.“

Beroemd en schuldig

Wat telde voor Kadare, toen en nu, is schrijven en publiceren. “Schrijven helpt je om je misère te verdragen. Schrijver zijn, een echte, was gevaarlijk in die tijd. Hoe beroemder je was, hoe schuldiger. Je had een verdoemd beroep, een beroep waarvan men, op zijn zachtst gezegd, niet hield tijdens de dictatuur. Dat gold natuurlijk niet voor de niet-echte schrijvers, zij die bogen voor de socialistische eisen.“

La Morgue, het verhaal uit 1984, werd zonder problemen gepubliceerd. Het beschrijft hoe de aristocratische, machtige families “van toen' door de nieuwe communistische machthebbers uit hun huizen worden gezet, vernederd en bespot. Uit berekening huwelijkt een vrouw “van toen' haar dochter uit aan een communist - tot ontzetting van beide sociale klassen. De communist, terstond door zijn eigen milieu verstoten en ontslagen, hoopt ooit in het bezit te komen van de rijkdom die zijn schoonfamilie is ontnomen. “Zelden werd er getrouwd tussen verschillende sociale klassen, tussen communisten en niet-communisten. Het was gevaarlijk om over te lopen. De moeder in mijn verhaal besefte dat het belangrijk was om banden aan te knopen met de nieuwe heersers. Ze moest leven met dat nieuwe regime en had toch hoop op een goede toekomst.“ Haar schoonzoon was een lelijkerd die geen bruid had kunnen vinden, iemand die op gewin uit was. Door hard werken en naar het pijpen van zijn bazen te dansen stijgt hij toch op de maatschappelijke ladder. Ook hij dacht dat hij er beter van zou worden. “Het profijt kwam, maar veel later“, zegt Kadare, “de moeder was een profetes, ze voorzag de val van het regime.“

Betekent dit dat Kadare zelf in 1984 die voorspellende blik had? “Nee, integendeel. Nooit had ik toen kunnen denken dat er aan het communisme een einde zou komen. Niemand trouwens.“ Wilde Kadare getuigen van die zwarte periode uit de Albanese geschiedenis? De verontwaardiging spat uit zijn ogen: “Literatuur is er niet om te getuigen. Daarvoor zijn er geschiedschrijvingen, chroniqueurs en wat dies meer zij. Literatuur is een onafhankelijke waarde, een vorm van kunst.“ Moet literatuur, zeker geschreven door een auteur die zo'n belangrijk deel van de vorige eeuw heeft meegemaakt, niet iets zinnigs zeggen over de maatschappij? Weer is een zucht mijn deel. “Ik leef om te schrijven. Ik denk niet na over de reden waarom ik schrijf. Het is gewoon zo. Het is een beroep, het beste op de wereld. Vroeger dacht ik dat iedereen die niet schreef ongelukkig was, ik vroeg me af wat ze dan deden, waarom ze leefden.“

Nooit heeft Kadaré ook maar een enkel moment overwogen te stoppen met schrijven, zelfs niet in de zwartste periodes van zijn leven, niet ten tijde van de censuur, niet toen hij met arrestatie bedreigd werd, nooit. “Ik behoor tot de familie van de schrijvers. Dat heeft niets te maken met het land waar je geboren wordt. Als ik aan Dante denk, denk ik er niet bij dat hij Italiaans is. Hetzelfde geldt voor Shakespeare of voor Kafka. Ze zijn autonoom. Alle grote literaire genieën komen uit Europa. De Europese literatuur beslaat driekwart van de universele literaire schatkist. Dat zal altijd zo blijven. De Afrikaanse literatuur bestaat nauwelijks, hetzelfde geldt voor literatuur uit Azië. Het is nu eenmaal zo. De Europese literatuur is op de Balkan begonnen, in het antieke Griekenland. De dichters uit het oriëntaalse deel van de wereld zijn van heel middelmatig artistiek niveau. De wereld kent geen equivalent van de Griekse tragedie, van Dante, van Cervantes of van Shakespeare.“

Of je als schrijver nu in Nederland of in Albanië bent geboren - het maakt voor Kadare geen verschil. “Mijn kamer bevond zich toevallig binnen het grote Europese huis in Albanië. Verder is dat voor mij compleet onbelangrijk.“ De schrijver ziet me ademhalen om hem daarover verder te ondervragen en vervolgt snel, met stemverheffing: “Natuurlijk is de traditie van een land belangrijk, positief of negatief voor de ontwikkeling van de literatuur, de taal en de mentaliteit. Literatuur is royalistisch, zij kent graven en baronnen, literatuur accepteert hiërarchie. Het gaat om kwaliteit, niet om democratie. Literatuur is niet democratisch. Het communisme behandelde alle schrijvers gelijk, wat een manier is om de literatuur te vernietigen. Geen genieën, geen kneuzen, allemaal hetzelfde salaris, allemaal over één kam. Of je nu talent had of niet, iedereen was gelijk. Zo onderdruk je schrijvers, je breekt hun moraal en dan gaan ze vanzelf slechte literatuur maken. Het toppunt daarvan vond je in China, tijdens de Culturele Revolutie. Men had bedacht dat het land tien miljoen dichters nodig had en vijf miljoen romanschrijvers. Maar zelfs als er 5000 auteurs waren benoemd, zou de literatuur te gronde zijn gegaan. Het is de beste manier om een doodvonnis over de literatuur uit te spreken. Literatuur is elitair. Zodra het aantal schrijvers toeneemt, stort zij in elkaar.“

Hoewel Kadare dus niet schrijft om te getuigen en zichzelf als een autonoom schrijver beschouwt, is zijn werk wel degelijk innig verbonden met de geschiedenis van Albanië. Hij publiceerde bijvoorbeeld ook Trois chants funèbres pour le Kosovo, drie verhalen over de geschiedenis van de Balkan, waaronder een over de slag op 28 juni 1389, waarbij de Ottomaanse sultan Mourad een christelijke coalitie verpletterde bestaande uit Serviërs, Bosniërs, Albanezen en Roemenen. Zeshonderd jaar later zou Milosevic op die datum de Albanezen de oorlog verklaren. Over de huidige situatie in Kosovo is Kadare duidelijk. “Op het moment hebben we te maken met een kolonie in Europa. Het probleem van een kolonie los je op door deze zijn zelfstandigheid te geven. Al die aarzelingen komen voort uit een oude, Europese, atavistische mentaliteit. Dat is idiotie. Vrijheid is een universeel concept, je kunt geen speciaal, beperkt soort vrijheid uitvinden voor Kosovo-Albanezen. Tegenwoordig beginnen en eindigen alle gesprekken over Kosovo met de positie van de Servische minderheid. Die bedraagt vijf procent van de bevolking! Wat is dat voor onzin? Je moet eerst over de Albanese meerderheid spreken en dan pas over de Servische minderheid.“

Toch is Kadare in het algemeen positief. “Zat je vroeger in een internationaal forum waar het woord Kosovo werd uitgesproken, dan zag je meteen de Joegoslavische delegatie opstappen. Inmiddels is Joegoslavië door de EU gebombardeerd vanwege Kosovo. Nu spelen ze met de Europese schuldgevoelens daarover ten aanzien van de Serviërs. Dat is onacceptabel. Waarom zou je geen twee Albanese staten kunnen hebben op de Balkan? Duitsland en Oostenrijk zijn ook twee staten met dezelfde taal en dezelfde cultuur, net als Roemenië en Moldavië, Griekenland en Cyprus. Liever twee Albanese staten dan één Albanese kolonie!“

Of er ook een echo van terug te vinden is in de jongere hedendaagse literatuur in Albanië, kan Kadare niet vertellen. Gewoon is die, beweert hij, vergelijkbaar met die in andere Centraal-Europese landen. Er zijn goede en er zijn slechte auteurs, zegt hij. Plotseling, geïrriteerd: “Albanië heeft net een prestigieuze internationale prijs gekregen in Londen, als enige uit Oost-Europa. Is dat niet genoeg? Ik ben beroemder dan wie dan ook, moet Albanië nu nog meer auteurs hebben?“

Als ik vertel dat sommige jonge auteurs, in Duitsland bijvoorbeeld, niet over het verleden of over politieke zaken schrijven, maar naar de toekomst kijken, briest hij. “Wat een holle frasen, hoe kun je nu zeggen dat je niet meer over het verleden wilt schrijven! De mensen zijn ijdel, lichtzinnig, ze liegen erop los. Charlatans zeggen zulke dingen, om rumoer te creeëren, aandacht te krijgen, in de media te komen. Literatuur is niets anders dan herinnering. Literatuur is een verhaal over wat er gisteren gebeurd is, of twee jaar geleden of tienduizend jaar geleden. Wat kan literatuur anders doen?“

Taal is een machine

Als we het over taal hebben, weidt Kadare uit. “Hoe groter, hoe machtiger een land, hoe zwakker de taal. Hoe groter het domein van de taal, hoe meer zij verzwakt. Kijk naar het Latijn, kijk naar de taal van het Ottomaanse Rijk: ze degenereerden, werden steeds kunstmatiger. Iedere taal heeft sterke en zwakke punten. Het Albanees is oud en authentiek, het is geen kopie, geen leenvertaling van een andere taal. In oude talen zit een wereldopvatting die verbonden is met heilige structuren van schoonheid en welluidendheid. Taal is een machine: als de taalkundige onderdelen sterk zijn, werkt hij goed. Als ze haperen, gaat het mis. Dat zie je in de manier waarop gedachten worden verwoord. Perfecte talen bestaan niet, want als de taal volmaakt was hadden we de literatuur niet nodig. Dan zou de taal de menselijke gedachten in alle nuances kunnen weergeven. Maar dat kan de taal niet. Als het gaat om menselijke emoties en gevoelens is de taal schematisch en hard. Dus hebben we literatuur nodig. Literatuur is geboren uit een mankement van de taal. De taal is speels, ze heeft een meester nodig, hulp van buitenaf. Dat is de schrijver.“

“Het Albanees is een goede machine. Dat is geen chauvinisme, dat moet u maar van me aannemen. Het is een erg ingewikkelde en complete taal, die dichtbij de structuur van het Latijn staat. Hij kent veel pre- en suffixen en kent bijvoorbeeld de optativus. Moge hij leven! Moge hij sterven! Maar dan in één woord, waardoor de uitdrukking veel sterker wordt. Daarom zijn Albanese vertalingen van Shakespeare altijd zo schitterend. To be or not to be klinkt in het Albanees precies hetzelfde. Kom daar eens om bij andere talen. “Être ou ne pas être', dat klinkt niet.

“De zwakke kanten van het Albanees vind je in de juridische en filosofische uitdrukkingsmogelijkheid van de taal, in dat deel dat een vrije, democratische samenleving nodig heeft om zich te ontwikkelen. Alle balkantalen zijn fel en expliciet, maar vaak ontbreekt de finesse, de fijngevoeligheid. De politieke situatie beïnvloedt indirect de taal.“

Tot slot vraag ik naar het derde en meest recente verhaal uit Un climat de folie. Kadare schreef het in 2004, tijdens een verblijf in New York. Het is een autobiografisch verhaal over het grote familiehuis waarin hij opgroeide. De verteller, een jongen van een jaar of twaalf, hoort over familievetes, komt te weten dat een van zijn ooms een zelfmoordpoging heeft gedaan omdat iemand zijn lidmaatschap van de communistische partij heeft gezien. “Dat is een heel curieus feit uit de geschiedenis. In de eerste jaren na de communistische machtsovername had de partij de macht en toch wist niemand waar de partij gevestigd was. Alles was geheim.“

De verteller van Un climat de folie ontdekt de literatuur, de echte en de socialistische, en leeft vooral in zijn verbeelding. Hij bewondert zijn grootvader, die hij in gedachten tot de stichter van Albanië bombardeert. Als die grootvader ziek wordt, droomt hij dat hij hem zou kunnen redden door zijn houten paard, Troje genaamd, op te offeren. Dat hij dat niet doet en dat zijn grootvader dus overlijdt, bezorgt hem een levensgroot schuldgevoel.

“Toen ik een jaar of twaalf was ontdekte ik dat de socialistische literatuur vreselijk saai en vervelend was. De moeder van Gorki - hoe kon iemand zoiets schrijven. Ik las ook Kosovo, le berceau de l'Albanie, bron van de conflicten op de Balkan. Ik begreep wel dat het een gevaarlijk boek was, maar waarom precies bleef duister. Ik vergeleek die boeken met Macbeth, wat ik een geweldig pikant en grappig verhaal vond. Thuis had ik dat hele stuk met de hand overgeschreven. Langzamerhand had ik het idee gekregen dat ik het ook werkelijk geschreven had. Een dwaling uit mijn kindertijd. Dit verhaal gaat vooral over mijn grootvader. In mijn dromen had ik hem kunnen redden. Maar ik had een geheim, ik hield meer van Troje dan van hem. Ik hield, met andere woorden, meer van literatuur dan van mijn grootvader.“

Onlangs verscheen een nieuwe vertaling door Florian Mazrek van de roman “Leven, spel en dood' bij uitgeverij Van Gennep, waar ook een groot deel van Kadare's eerdere werk is gepubliceerd.

Rectificatie / Gerectificeerd

In de noot bij het interview van Margot Dijkgraaf met de Albanese schrijver Ismail Kadare (Cultureel Supplement, 17 februari) stond een foute titel vermeld van Kadares meeste recente in het Nederlands (her)uitgegeven roman. De juiste titel luidt: 'Leven, spel en dood van Florian Mazrek'. De vertaler is Roel Schuyt.