Duizend meter is toch eerlijk

Komend weekend rijden de schaatsers in Turijn de duizend meter. Het blijkt niets uit te maken of ze starten in een binnen- of in een buitenbaan.

Vier jaar geleden, bij de Olympische Winterspelen in Salt Lake City, deed zich een curieus verschijnsel voor op de 1.000 meter schaatsen. Zowel bij de mannen als bij de vrouwen werden alle medailles gewonnen door rijders die in de binnenbaan waren gestart.

Wie op de 1.000 meter (2 ½ rondje) in de binnenbaan start, rijdt één keer vaker een binnenbaan dan de tegenstander. Deze rijder heeft ook de laatste binnenbocht. Daardoor kan hij met wat geluk op de laatste wissel pal achter de tegenstander uit de wind rijden. In de laatste bocht kan hij zich aan de tegenstander optrekken. Het leek dus goed verklaarbaar dat binnenbochtrijders in het voordeel waren. Schrijver dezes pleitte destijds op deze pagina, met wat slagen om de arm, voor het tweemaal rijden van de 1.000 meter, zoals dat bij wereldkampioenschappen sprint al gebeurt.

Zeker was het niet dat er een effect bestond, juist omdat alle rijders maar één keer gestart waren.

Op 21 en 22 januari van dit jaar werd in Heerenveen het WK sprint gehouden. De binnenbochtrijders van de eerste 1.000 meter startten op de tweede dag in de buitenbocht. Daarom was hier een mooie kans de kwestie voorgoed te beslechten. Het zou mogelijk zijn van het hele veld aparte klassementen te maken voor de binnenbocht en voor de buitenbocht, en deze te middelen. Dan zou vanzelf blijken of op de 1.000 meter starten in de binnenbocht voordelig is. In de gemiddelden zouden verschillen in omstandigheden tussen de eerste dag en de tweede vanzelf worden opgeheven.

De waarnemingen werden gedaan voor de televisie. Dit zorgde voor een geforceerde selectie van de gegevens. Op de tweede dag werden alleen de ritten 10 tot en met 25 uitgezonden. Omdat hierin de 32 sterkste rijders van de eerste dag optraden was dit geen probleem. Integendeel: de zwakke Oostenrijker Goerlitz bijvoorbeeld was de tweede dag in de buitenbocht vijf seconden sneller dan de eerste dag en had daarmee de metingen aardig kunnen bederven. Nu viel hij vanzelf uit de tabellen.

Van elke rijder werd de tussentijd na 200 meter genoteerd en de eindtijd. Die tussentijd is belangrijk omdat een eventueel effect te wijten zou kunnen zijn aan de eerste binnenbocht of juist aan de laatste.

De resultaten, kort samengevat. De eerste dag waren bij de zes snelste tussentijden vijf binnenbochtrijders. Dat gaf hoop op een baanbrekend resultaat. In de eindtijden was het andersom: bij de eerste acht zes uit de buitenbocht. De tweede dag maakte de verwarring compleet. In de eerste tussentijden was geen serieus patroon te ontdekken (of het moest een licht overwicht voor de buitenbocht zijn), maar de eerste vijf eindtijden waren van binnenbochters! Was deze tweede rit de olympische race geweest dan had ondergetekende weer moord en brand geschreeuwd.

Nu is duidelijk dat het aan de loting ligt. Onder de vijf schaatsers die beide dagen bij de eerste acht eindigden, waren er vier die de eerste dag in de buitenbocht van start gingen. Deze sterke kilometerrijders zijn niet de snelste starters. Daarmee zijn de patronen wel ongeveer verklaard - de rest is ruis.

Tellen we alle tijden bij elkaar op van rijders die in de binnenbocht zijn gestart (zestien deden dat dus op de eerste dag, de andere zestien op de tweede) dan heeft het hele veld een gemiddelde eerste tussentijd van 16,789 seconde en een eindtijd van 1:11,15. Startend in de buitenbaan doen ze gezamenlijk 16,793 respectievelijk 1:11,10. Geen significante verschillen.

Starten in de binnenbocht is op de 1.000 meter dus geen voordeel. In Turijn gaat komend weekend de beste winnen.

za 18 (17.00 u) 1.000 m mannen, zo 19 (17.00 u) 1.000 m vrouwen (Ned 2) in de Oval Lingotto