De les is nog niet fleeg

Ik zag de woorden “tuin' en “regen' en “weven', en ik werd meteen impressionistisch. Jardins sous la pluie, Claude Debussy, 1903, Monet, die sfeer. En dan ook nog een raar ouderwets aandoend woord erbij: “langtijds'. En een dichterlijke voorstelling van zaken, met de regen in de rol van wever: “Deze tuin werd langtijds door de motregen geweven'. Zo luidde de eerste regel van een gedicht van de Arabische dichter Ibn al-Mu“tazz, volledige naam Abu “l-Abbas “Abdallah ibn al-Mu“tazz (861-908), in een bloemlezing uit zijn werk, vertaald door Hafid Bouazza.

Hoe dat precies zat met die regen die een tuin weeft, zag ik niet voor me, maar ik voelde er wel van alles bij: een ragfijn web van dauwdruppels, een sluier van nevelmist die zich over een wiegende tuin legt. Ik meende ook al een gestaag ruisen te horen, van een watervalletje, in de verte. Tuinige stemming, om niet te zeggen: jardinesk.

Hoe ging het verder? “Deze tuin werd langtijds door de motregen geweven / die haar na haar stralende bloei te tierlantijnen begon'. Ook dat klonk dichterlijk en muzikaal, en sferig, ondanks dat rare werkwoord “tierlantijnen'. Zo was er wel meer onbevattelijks, al klonken de lange, interpunctieloze zinnen goed: “Na een geween als van een gezel verlaten / door een gezel die haar lachen deed en verblijden kon.' Er was een vrouw die aan het lachen werd gemaakt door een vriend die haar nu heeft verlaten. En toen dat gebeurde weerklonk er een groot geween in de geweefde tuin.

De sfeer blijft ook daarna onwerkelijk. “Als de narcisbloemen daar beginnen te ademen / gaan de viooltjes lispelen met de rijpe lavendel'. Het past allemaal wel bij het clichébeeld van de tuin als paradijs, een lustoord voor dichter en minstreel En het past ook bij het clichébeeld van de Arabische poëzie als een typische tuinenpoëzie.

De bloementuin van Ibn al-Mu “tazz blijkt ook de plek waar gedronken kan worden. Er loopt een schenker rond, met in zijn hand een glas “als de vlam van een brandende sintel': mooi beeld voor de flonkering van de rode wijn in het glas. Hij wordt door de dichter uitgenodigd de wijn te mengen, maar niet zoals gebruikelijk met water, maar “enkel met jouw speeksel'. Dit lijkt mij een liefdesverklaring, of een erotische uitnodiging. Man, bedrukt, zoekt leuk obertje om mee te tongwijnzoenen. Er volgt ook nog een dreigement: “maar betoon je je gierig dan zullen mijn tranen zich ermee mengen'. Als de jongen niet wil zoenen, dan zal de dichter de wijn mengen met zijn vele, zoute tranen.

De tuin van Ibn al-Mu“tazz blijkt nu ook een café-terras annex versierplek voor ongelukkige cruisers te zijn. En dan is er aan het slot opeens ook sprake van liefde, en hevig lijden onder de liefde: “Het minste wat ik van je liefde lijden moet is dat mijn / hand als hij naar mijn hart reikt begint te verzengen'. Dat is nog eens wat je noemt brandende liefde. Een hart dat in vuur en vlam staat: als zijn hand alleen nog maar in de buurt komt, moet hij hem al schielijk terugtrekken. Zo is het gedicht dat zo impressionistisch en mistig leek te beginnen geëindigd in een strak vers vol hartstocht. Ik neem nu maar aan dat de dichter zich aan het slot tot de schenker wendt. En is hij verliefd op de schenker, of op diens wijn? Is dit tuingedicht een liefdeslied of een drankzang?

Die vraag kan bij Ibn al-Mu“tazz wel vaker gesteld worden. Veel van zijn poëzie moet gerekend worden tot de drinkebroerpoëzie, naar het woord dat hier het vaakst voorkomt. “De nacht is gevallen mijn drinkebroer / ontsteek met wijn ons vuur / opdat wij terwijl de schepping slaapt / de zon kussen op dit nachtuur.' Met de zon die 's nachts wordt gekust kan de flonkerende wijn zijn bedoeld; de zon kussen is dan drinken. Of is de zon het door de wijn aangewakkerde liefdesvuur? Of de maan? Die kan, als je maar rustig door blijft drinken, vanzelf gaan stralen als de zon.

De aanleiding mag dan de eenvoudige handeling van het drinken zijn, met al even eenvoudige gevolgen als liederlijk gedrag, dronkenschap en seksuele aanvechtingen, maar oorzaak en gevolg zijn in de impressionistische omzwervingen van vertaler Bouazza vaak moeilijk uit elkaar te houden. Dat komt door zijn curieuze taalgebruik, met veel in onbruik geraakte woorden en eigen syntactische wendingen. “Aan de rimmen tolt zij luchtbellen' lezen wij, als het over wijn gaat. “Zijn nacht verwijlt hij met het vergutsen van een bariseel'. We vinden hier woorden als kween, dimster, andoel, theriakel, halsberg en javelijn, onager en mehari, schoftvleren, ontpluiken, buival en traanval. Als er een wilgentwijg wiegt onder de maan en boven een zandhil, dan hebben we het woordenboek nodig om te weten dat een zandhil een zandheuvel is - en de voetnoten van Bouazza om te weten dat met die heuvel dan weer de bil van de wijnschenker is bedoeld, met die wilgentwijg zijn slanke lichaam, met de maan zijn gezicht en met het wiegen zijn heupwiegen.

Het is daarom moeilijk om vat op deze gedichten te krijgen. Soms dient zich wel een heldere mededeling aan (“O was ik maar een pik en was ik in een vagijn gelegen'), maar meestal zingt Bouazza zich weg in zijn eigen kunstnederlands. Wat er nu werkelijk gezegd wil zijn, is soms moeilijk te zien, zoals in het geval van het tuingedicht - en je vraagt je ook wel eens af of de vertaler zelf het wel weet. Zou hij wel gezien hebben dat hetzelfde gedicht twee keer in zijn bloemlezing is opgenomen, in licht afwijkende versies, voorzien van verschillende voetnoten?

Het maakt een wat aangeschoten indruk, alsof Bouazza beneveld is geraakt door de vele glazen wijn die hij van de ene naar de andere taal moest overschenken. “Laat geen uur van onoplettendheid je afleiden/ van genot of van een gedachte aan een afspraak' zegt Ibn al-Mu“tazz, volgens Bouazza, op pagina 23. En honderdtwintig bladzijden verder: “Laat geen uur van onoplettendheid of de / gedachte aan het hiernamaals u afleiden van genot'. Hiernamaals of afspraak, wat maakt het eigenlijk ook uit, zolang de les nog niet fleeg is. Er is altijd wel een goede reden om te klinken. “En drink op de goedheid van de Tijd'. Of, honderdtwintig bladzijden verder: “En drink op deze goede tijd.'

Ibn al-Mu'tazz: De zon kussen op dit nachtuur. Gekozen en vertaald door Hafid Bouazza. Prometheus, 176 blz. euro 24,95.