Alles en niets over de nacht

De helft van ons leven zijn we blind omdat het nacht is. De Amerikaan Roger Ekirch waagde zich aan een studie van de nacht. Een duizelingwekkend, maar in feite ouderwets boek.

Echte duisternis kennen we in Nederland niet meer. Ook op het zogenaamde platteland kan je niet meer ronddwalen zonder in de lucht de reflectie te zien van een stad, verkeersknooppunt of vliegveld. Formeel mag het dan wel nacht zijn, maar eigenlijk is het onzin, niet meer dan een gradueel verschil met de dag. Kunstlicht vervangt daglicht en de 24-uurs-economie dendert door. Dat kunstlicht, of preciezer gesteld het gaslicht, is ook de chronologische grens van het boek van de Amerikaanse historicus Robert Ekirch. Hij is voor zover ik weet de eerste die een sociaal-historische studie naar de nacht heeft verricht. Dat wil in dit geval zeggen, de nacht zoals beleefd in West- en Oost-Europa en in Noord-Amerika, vanaf de middeleeuwen tot het eind van de 18de eeuw. Dat eindpunt ligt in een periode van verandering, toen overheden door de aanleg van gaslantaarns en de oprichting van politiekorpsen greep begonnen te krijgen op de openbare ruimte bij nacht.

“De helft van ons leven zijn we blind', zo citeert Ekirch Rousseau, en over de activiteiten tijdens die periode van blindheid heeft hij vier thema's opgebouwd: de gevaren van de nacht, de nachtelijke maatregelen van de overheid, de lokaties waar mensen zich “s nachts ophielden en ten slotte de slaap.

Als er een rode draad door het boek loopt dan is het die van de duistere kant van de nacht. De nacht is een negatief verschijnsel, het is een bedreigende tijdspanne, zowel in de stad als op het land. Tegelijkertijd is, aldus de auteur, de nacht een toevluchtsoord voor mensen die overdag geen kans krijgen. Ekirch suggereert een ware tegencultuur. Schijnbaar moeiteloos schudt hij de uiteenlopende gevaren waaraan de vroegmoderne mens was blootgesteld, over de lezer uit. Die lopen uiteen van natuurlijke gevaren, van het verdwalen, koude, bedreigende beesten als wolven en muggen, onheilspellende voortekenen als vallende sterren, donder en bliksem, en imaginaire verschijnselen als geesten, spoken weerwolven en heksen, tot de gevaren van zijn eigen soortgenoot , de mens. In de literatuur werd volgens Ekirch wel de zonsopgang bezongen, maar nooit de zonsondergang. Die stond kennelijk in een kwaad daglicht. Zo kan, hoewel Ekirch daar niet op in gaat, ook de romantiek als een scheidslijn worden gezien waarna de mens een positievere houding ten opzichte van de nacht is gaan innemen.

Bendes studenten

Wie leest hoeveel risico's de mensen vroeger liepen begrijpt niet dat iemand ooit een voet buiten de deur zette. Daar zijn in de stad de gevaren van inbrekers, brandstichters, bendes studenten of adellijke jongelui die er op losslaan. Wie 's nachts over straat wandelde liep het gevaar in kuilen te vallen, in grachten te lopen of de inhoud van vuilnisbakken en pispotten over zich heen te krijgen. Op het platteland dreigde weer ander ongeluk: van individuele struikrovers tot georganiseerde bendes, zonder dat de overheid daar veel aan kon doen.

Mooi beschrijft Ekirch de manier waarop men in donkere nachten zijn weg op het platteland probeerde te vinden. Het oog was uitgeschakeld - hooguit de maan en de sterren schenen je wat bij. Ook een lantaarn of fakkel was handig. Maar wat te doen als je je die niet kon veroorloven? Dan moest men de blindheid compenseren met andere zintuigen. Men kon luisteren. Naar vogels, naar de wind, naar hondengeblaf, naar een verre kerkklok of paardengeklepper op plaveisel, wat op een nabije stad wees. Men kon ruiken: gewassen, vee, mesthopen, een bakkerij. En al of niet gewapend met een stok werd de tastzin ingezet, men tastte naar bomen, bermen en wegdek. Soms werden de schoenen uitgetrokken om het soort wegdek beter te kunnen voelen.

Wie waren degenen die zich zo laat buiten waagden? Ekirch beschrijft een heel scala van “eerzame' nachtelijke beroepen. Van bewakers van grote gebouwen als pakhuizen en molens, de arbeiders van ijzersmelterijen en glasmakers, die bij hun ovens bleven, tot de wakers over hele akkers en boomgaarden, artsen en vroedvrouwen, priesters en dominees die er nog op uit moesten. Men werkte 's nachts in zijn moestuintje en boeren trokken al voor dag en dauw naar de stad om hun groenten en vee, hun boter, kaas en eieren op de markt te verkopen. Maar het waren vooral de “niet eerzame' lieden die bij nacht tot leven kwamen. Voor hen was, aldus Ekirch, de nacht een bevrijding. Voor hen begon dan het ware leven. Het gilde der inbrekers, de lijkophalers, de legers van de beerputten, de voddenrapers, de hoeren en gefortuneerde nachtbrakers.

Wie zich niet op straat bewoog was thuis, of bij de buren. Of in de kroeg. Ekirch legt de nadruk op de dicht opeengepakte wijze van leven van mensen in hun lage, donkere bedompte huisjes. Dat had enerzijds een sterk sociale controle tot gevolg en in het gunstigste geval ook sociale cohesie, maar anderzijds ging er een verstikkende werking vanuit, waardoor menigeen juist de straat weer opvluchtte. Maar wie thuis bleef en niet afgetobd als een blok in slaap viel, kon zich tot diep in de nacht ophouden bij zijn familie en buren, waarbij ook nog iets bijverdiend kon worden door te spinnen of te breien. In de kroeg verkwistten de mannen hun geld met drinken, kaarten en dobbelen. Het vertellen van verhalen was bij avondlijke samenkomsten een vanzelfsprekend aspect. Omdat die verhalen vaak over fantastische gebeurtenissen gingen, waarbij spoken en andere griezelwezens een hoofdrol speelden, bleef het onheilspellende karakter van de nacht onaangetast. Na de nachtbrakerij volgt de nachtrust en ook aan het bed, slapen, dromen en seksualiteit besteedt Ekirch ruime aandacht.

Op een duizelingwekkende wijze voert Ekirch duizenden aspecten van de nacht op. Hij moet erg veel gelezen, maar daar ligt ook de zwakte van dit boek. Hoe veel werk hier ook in gestoken is en hoe aardig het ook leest en hoe vaak je op elke bladzijde wel een interessante activiteit van de nachtelijke mens aantreft, het is wel een onwetenschappelijk boek. De auteur is er twintig jaar mee bezig geweest en heeft in die decennia kennelijk elke uitspraak genoteerd die hij over de relatie tussen mens en nacht tussen het jaar 1500 en 1850 te pakken kon krijgen. Uit alle windstreken, zelfs uit Nederland. De fiches met die uitspraken moet hij hebben gerangschikt en aan elkaar hebben gekoppeld tot er een boek ontstond.

Politierapporten

Ekirch maakt geen enkel onderscheid tussen fragmenten uit dagboeken, reisverslagen, memoires, spreekwoorden, citaten uit toneelstukken of romans, literaire teksten, politierapporten, liedteksten, krantenberichten, schilderijen of prenten. Rijp en groen monteert hij achter elkaar. Dat is geen postmoderne assemblagemethode, maar eerder een ouderwetse feitenstapeling. Hij citeert, niet alleen zonder de waarde van de bron te wegen, maar ook zonder die bron precies te noemen. Een literatuuropgave ontbreekt. Niet alleen maakt Ekirch kritiekloos gebruik van al die niet nader gespecificeerde heterogene bronnen, hij husselt ook geografie en chronologie door elkaar. Het resultaat is een historische ratatouille. Een uitspraak over een bedgewoonte in Noorwegen uit 1450 wordt gekoppeld aan een gezegde uit het 18de-eeuwse Sicilië, waarna in een adem nog een Nederlands schilderij uit de 17de eeuw wordt vermeld. Hij doet algemene uitspraken aan de hand van één citaat en relativeert systematisch die algemene uitspraak met “vaak' en “soms' en “menigmaal', zodat je nog niets weet.

Het effect is ook dat door de opeenstapeling van nachtelijk onheil geheel Europa bij nacht bevolkt lijkt te zijn door nachtbrakers en ander gespuis. Ongetwijfeld bestond er een nachtelijke antiwereld, maar of het contrast zo groot was als Ekirch doet voorkomen lijkt me sterk. Ook overdag was er geweld, diefstal, dronkenschap. En er leefden mensen die van het gezang van de nachtegaal hielden, naar de maan tuurden en van stilte en duisternis genoten zonder een vlieg kwaad te doen.

Duizend jaar nacht is ook wel erg hoog gegrepen. Veel preciezer worden sociale verschijnselen als vrijetijdsbesteding, eten en drinken en slapen behandeld in bijvoorbeeld de Duitse Alltagsgeschichte. In Engeland weet iemand als Liza Picard, met boeken als Restoration London en Dr Johnson's London, geserreerd en met een fatsoenlijke bronvermelding een veel preciezer beeld van het dagelijks leven op te roepen dan Ekirch met zijn duizenden citaten.

Nacht en ontij biedt veel, maar verklaart niets. Dat is jammer van zo'n fascinerend onderwerp.

Roger Ekirch: Nacht en ontij. Een geschiedenis van het duister. Vertaald uit het Engels door Meile Snijders (At Day's Close. Night in Times Past). De Bezige Bij, 397 blz. euro 29,90