18 jaar vóór Ireen Wüst

Wie aan Yvonne van Gennip denkt, denkt aan goud. Om precies te zijn: aan drie keer goud tijdens de Winterspelen van Calgary in 1988. Daar doorbrak zij onverwacht de Oost-Duitse hegemonie van Karin Kania en Andrea Ehrig en werd Van Gennip een schaatslegende.

Journalist en oud-trainer Huub Snoep heeft nu haar biografie geschreven. Of eigenlijk is het boek meer Van Gennips autobiografie, verteld aan Snoep. Anderen komen niet aan het woord. Het boek kent daardoor een beperkte invalshoek, maar het is niettemin boeiend en fraai geïllustreerd. Snoep neemt ons aan de hand van veel schaatstijden kundig mee door Yvonne's carrière. Van de eerste schaatsstapjes op de Jan Gijzenkade in Haarlem, via de schaatslessen “Winterkoninkje', een actie van de IJsclub Haarlem en Omstreken, naar de uiteindelijke glorie in Calgary. Maar ook de neergang daarna komt aan bod.

Het boek bevestigt het beeld van Van Gennip als sfeergevoelig lachebekje dat het liefst schaatste vanuit een underdogpositie. Het feit dat ze een nakomertje was, hielp ook. Haar ouders konden haar maximaal begeleiden. Gaandeweg kwam de Haarlemse tot het inzicht dat haar talenten niet op de sprint, maar op de lange en middellange afstanden lagen. Helaas liet haar gezondheid het op die beslissende momenten een beetje afweten. Dat kostte haar twee Nederlandse kampioenschappen. Maar waarschijnlijk was het juist die gammele constitutie die haar in Canada mede naar goud leidde. Voor de Olympische Spelen van 1988 moest Yvonne namelijk noodgedwongen rust houden, omdat ze herstelde van een operatie aan haar rechtervoet. Die rust pakte goed uit. Niemand verwachtte wat van haar, en dat vond ze wel zo prettig. Het Nederlandse journaille was al grotendeels naar huis toen Van Gennip aan haar goldrush begon. Er was immers geen hoop meer op Nederlandse successen. Slechts de Canadese pers schreef, bijna tegen beter weten in: “Alleen een daad van Onze Lieve Heer of Yvonne van Gennip kan de Oost-Duitse schaatssters vandaag van het winnen van drie schaatsmedailles afhouden.'

Het werd Yvonne van Gennip, met supertijden die iedereen in het geheugen gegrift staan. Wereldrecords op de 3.000 (4.11,94) en 5.000 meter (7.14,13) en een tijd van 2.00,68 op de 1.500 meter. De medailles waren voor Van Gennip vooral een overwinning op zichzelf. Ze had zich voorgenomen nu wél tot het gaatje te gaan. Daar was het natuurtalent altijd huiverig voor geweest, want “de dood of de gladiolen dat kende ik niet'.

Na Calgary was Van Gennip publiek bezit. Eerst was er de huldiging op de Grote Markt van Haarlem, waar 60.000 mensen de schaatskoningin inhaalden. Daarna werd er ontzettend aan haar getrokken. Wat was wijsheid? Haar maatschappelijke carrière? Stoppen op het hoogtepunt? Of toch doorgaan en alles uit het schaatsen proberen te halen? Na een jaartje rust, besloot zij tot het laatste. Die keuze betekende een harde kennismaking met de keerzijde van de medaille. Angstaanjagende black outs bij inspanning, en een val bij de Olympische Spelen van 1992 in Albertville. En toch, zegt Van Gennip, had ik die ervaringen niet willen missen, omdat je ook van verliezen leert.

Huub Snoep: Yvonne van Gennip. Winterkoninkje. De Vrieseborch, 224 blz. euro 24,90