1-0 voor Eros

In een serie over klassieken uit de wereldliteratuur deze keer “De misstap van pastoor Mouret' van Émile Zola (Uit het Frans vertaald door Floor Borsboom. Wereldbibliotheek, 334 blz., 17,90)

Van de romans van Émile Zola (1840- 1902) kun je genieten als van goede B-films. Het verhaal is eigenlijk te melodramatisch, de stijl te zwaar aangezet, maar mijn hemel, wat is het allemaal meeslepend. De kritiek, hoe terecht ook, verdampt tijdens het kijken of lezen. Net als een goede B-film is een roman van Zola spectaculair. Letterlijk: wat de woorden betekenen zie je voor je, op zo'n overweldigende manier dat er geen ruimte over blijft voor iets anders. Wie zich er aan heeft overgegeven, is verloren tot het einde.

La faute de l'abbé Mouret (1875) is deel vijf van de 20 delen tellende Rougon- Macquart-cyclus, Zola's “natuurlijke en sociale historie van een familie in het Tweede Keizerrijk'. In de onlangs verschenen nieuwe Nederlandse vertaling (De misstap van pastoor Mouret) wordt daar nauwelijks aandacht aan besteed. Er is bijvoorbeeld geen nawoord, waarin wordt uitgelegd dat het aan waanzin grenzende mysticisme van de jonge pastoor Serge Mouret een erfelijke oorsprong heeft. Binnen de roman brengt alleen diens oom, dokter Pascal Rougon, even het familiale “bloed' ter sprake; hij is het die de pastoor en diens onnozele zusje Désirée “echte Rougons en echte Macquarts' noemt, “de laatsten van het hele stel, het eindpunt van de degeneratie'.

Veel maakt het ook niet uit. Om De misstap van pastoor Mouret te waarderen hoef je de details van Zola's naturalisme niet te kennen. De roman kan heel goed op zichzelf staan, als het dramatische verslag van de strijd tussen natuur en religie, meer speciaal tussen Eros en Thanatos, geschreven lang voordat Freud met die thematiek aan de haal ging.

Het verhaal zelf is van een grote eenvoud: een 25-jarige pastoor laat zich zozeer meeslepen door zijn eigen verlangen naar vroomheid dat het hem bijna krankzinnig maakt. De dokter vindt dat hij er eens helemaal uit moet, en brengt hem onder op een nabijgelegen landgoed, waar hij wordt verzorgd door een 16-jarig meisje. En jawel, ze worden verliefd, zodra de pastoor (die zijn vrome verleden totaal lijkt te zijn vergeten) weer op krachten is gekomen. Na de daad gaat het mis. De herinnering aan priesterschap en parochie keert terug, de pastoor verlaat het idyllische landgoed, valt ten prooi aan hevige gewetensstrijd, zoekt opnieuw zijn geliefde op, maar de ban blijkt gebroken. Waarop zij in een verstikkende bloemenzee zelfmoord pleegt en hij haar in herwonnen vroomheid ter aarde bestelt.

Een verhaal van niks, zou je zeggen. Bovendien volkomen achterhaald. Want ook al verschijnen woedende gelovigen tegenwoordig bijna dagelijks in het nieuws, enige gewetensstrijd lijkt er niet meer aan te pas te komen. Allemaal waar - totdat je de roman gaat lezen en het er niet meer toe doet. Aanvankelijk springt nog de research in het oog (de ongelovige Zola blijkt werkelijk alles van het misoffer te weten), maar daarna gaan de remmen los en stort de taal zich over de lezer uit. Hier is iemand aan het schrijven op een onbekrompen, uitbundige manier, iemand die nooit woorden tekort komt en bij wie er altijd wel een schepje bovenop kan, zonder dat het hol of loos wordt. Bij ons kan wat dit betreft alleen A.F.Th. van der Heijden in zijn schaduw staan.

Zola's naturalisme geldt als een vorm van realisme, maar in deze roman valt veel meer de symbolische geladenheid op. In het eerste deel (het boek bestaat uit drie delen) duikt van alle kanten, zowel bij de primitieve parochianen als bij de natuur zelf, de levende, sensuele, dankzij de zon stralende vruchtbaarheid op, die pastoor Mourets nachtelijke Maria-mystiek (een doorzichtig geval van sublimatie) bedreigt. In het tweede deel bevinden we ons midden in een nieuw aards paradijs, waar de pastoor (nu nog alleen “Serge' geheten) voor de tweede keer geboren wordt en Zola zo ongeveer het hele planten- en bloemenrijk te hulp roept om een sfeer van bloesemende overdaad te creëren: “Een zee van groen, voor, rechts, links, overal. Een deinende zee van gebladerte die, niet belemmerd door een huis, een muur of een stoffige weg, tot aan de horizon voortrolde. Een lege, maagdelijke, heilige zee, die in de onschuld van de eenzaamheid zijn woeste zachtheid tentoonspreidde'. Et cetera.

Vanwege die “onschuld' duurt het toch nog bijna honderd bladzijden voordat de beide geliefden het daadwerkelijk met elkaar doen, wat na alle vegetatieve anticipatie weer opmerkelijk sober wordt beschreven: “Albine gaf zich over. Serge bezat haar'. Iets bonter pakt het commentaar uit: “Het was een overwinning voor de dieren, de planten en de dingen, die hadden gewild dat deze twee kinderen hun intrede deden in de eeuwige kringloop van het leven. Het park barstte uit in luid gejuich'.

1-0 dus voor Eros en voor de natuur.

Volgt de verdrijving, in aanwezigheid van een heuse aartsengel (de botte, vrouwenhatende broeder Archangias), want niet alleen het paradijs, ook de erfzonde krijgt in deze roman een symbolische herhaling. In het derde deel barst de gewetensstrijd los, vergezeld van een schitterende hallucinatie, die zo in een echte B-film had gekund. De natuur, bij Zola niet alleen voorzien van een eigen wil maar ook van het vermogen daar actief gevolg aan te geven, rukt op naar de kerk waar pastoor Serge zich aan Christus en het kruis heeft vastgeklampt:

“Weldra was alles in beweging: wijnstokken kropen voort als enorme insecten, magere korenhalmen en droge grassprieten vormden bataljons van lange lansen, bomen ijlden voort met wapperende haren, rekten hun ledematen uit als worstelaars die zich opmaken voor de strijd, afgevallen bladeren trokken op, het stof van de wegen trok op. Het was een menigte die bij elke stap nieuwe rekruten wierf, een bronstig volk dat hijgend naderde, een vloedgolf van leven met een verzengende adem, die alles meesleurde in de maalstroom van een kolossale bevalling'.

Voor de volledigheid: tenslotte wint de religie, al valt de dubbelzinnigheid van deze uitslag moeilijk over het hoofd te zien. De triomf van de religie is immers óók de triomf van de dood: de tuin verandert in een “graf', Serge biedt zich aan God aan als “een leeg huis waarin u kunt wonen.' Zo ondermijnt Zola de schijnbare moraal van zijn ontknoping. Maar in feite gebeurt dat al het hele boek door: via het onweerstaanbare natuurgeweld van zijn even zinnelijke als zinderende proza, waarvoor vertaalster Floor Borsboom in het Nederlands een bewonderenswaardig, niet voor het oorspronkelijke Frans onderdoend equivalent heeft weten te vinden.