Was er wel een 'cartoonoorlog'?

Weersta de neiging om in pogingen de westerse cultuur te verdedigen, daar zelf een karikatuur van te maken, bepleit Sjoerd de Jong.

Toen de Golfoorlog in 1991 uitbrak, bleef de postmoderne Franse socioloog Jean Baudrillard ontkennen dat er een oorlog aan de gang was. Een pervers soort videospelletje misschien, maar een oorlog? Nou nee, aldus Baudrillard, in een essay met de provocerende titel De Golfoorlog heeft niet plaatsgehad. Het leverde hem een lawine aan kritiek op, maar hij had een punt. Een traditionele oorlog was het zeker niet: de groenige schermen van de Amerikaanse commandocentra kwamen dichterbij dan de gebeurtenissen op de woestijngrond.

Heeft er nu wél een 'cartoonoorlog' plaatsgehad? Media-watchers als Baudrillard die de ingewanden van kranten en tv-journaals bestuderen, kunnen nog jaren vooruit met het ontwarren van de kluwen symbolen die de werkelijkheid aan het zicht hebben onttrokken. Verbrande vlaggen, opgehitste demonstranten in Damascus en Teheran, tekenaars en kranten die er een schepje bovenop doen, het gekras van hun potloden hoorbaar in heel Europa, het gepontificeer in actualiteitenprogramma's, en, als Nederlandse bijdrage, een persconferentie voor de wereldpers van Ayaan Hirsi Ali in Berlijn, waar ooit een ander politiek pop-icoon eens opriep de Muur te slechten.

Het moet een vreemde ervaring zijn voor de intellectuelen en cultuurfilosofen die na 11 september 2001 met opluchting vaststelden dat de terreurdaad toch één heilzaam effect had. Er was nu, meenden zij, eindelijk afgerekend met het slappe postmodernisme dat ons verbood te geloven in Grote Verhalen, en zich bezighield met het belachelijk of verdacht maken van de westerse cultuur, of met het als kunst uitventen van reclames of videoclips. Weg met die ongein, het ging nu weer ergens om. En nu, vijf jaar later, zijn we beland in een oorlog om plaatjes. Eén Deense krant drukt ze af, en de vlam slaat in de pan aan het andere eind van de wereld. Vervolgens springt iedereen erop om zijn liberale, seculiere, politieke of religieuze ding te doen. Wie nu nog gelooft dat het postmodernisme dood is, met zijn vermenging van ernst en spel, beeld en tekst, imago en realiteit, mag het zeggen.

Die virtuele wereld, waarin ondertussen wel échte slachtoffers vallen, vraagt niet om zelfcensuur of perscodes, maar om nieuwe antwoorden en gebruiken. Wat zeg je, zoals de Deense premier, als opeens de wereldpers op de stoep staat met een Kwestie? Hoe interpreteer je de zaken vervolgens? Wat was er gebeurd als de protesten uit Saoedi-Arabië niet waren beoordeeld als de stem van 'de islam', maar als poging van benarde fanatici om een fikkie te stoken in de global vilage?Lessen zijn in dat elektronische dorp nog moeilijk te trekken. Je weet nooit waar en wanneer de volgende brandstichter toeslaat. Maar er is wel een verschil tussen je laten meeslepen en een zekere stoïcijnse nuchterheid bewaren. Voorbeelden van het eerste hebben we volop kunnen zien, de afgelopen weken. Het laatste viel ook op bij Nederlandse moslims, die beheerst reageerden op de cartooneske opwinding.

De verleiding je te laten meeslepen weerstaan, betekent ook: afscheid nemen van de slogans die in de global village de beelden begeleiden als heetgebakerde ondertiteling. In een door elektronische media beheerste wereld, waarin nationale, etnische en culturele grenzen vager en vloeibaarder worden, neemt de behoefte toe aan simpele, heldere identiteiten - zowel bij winnaars als 'verliezers' van de globalisering. Het Westen is daarin bijvoorbeeld één en al vrijheid en Verlichting, in een zee van barbaren die vergeefs naar het lichtknopje tasten. Of juist een louter decadente steenpuist op het aangezicht van de aarde die zo snel mogelijk moet worden uitgedrukt. Tussen die twee extremen kraakt en knarst de open samenleving.

Onze eigen postmoderne versimpeling van het westerse zelfbeeld kwam in de cartoonrel duidelijk aan het licht. Vrijheid van meningsuiting heet opeens synoniem te zijn aan het recht om te kwetsen. De vrijheid van meningsuiting (in artikel 7 van de Grondwet vooral: bescherming tegen censuur vooraf door de staat) wordt een vrijbrief om onverlichte geesten te treiteren - voor hun eigen bestwil, natuurlijk. Maar zo dreigt de test voor modern Nederlands burgerschap te worden versmald tot de vraag of je wel hard genoeg kunt lachen om Life of Brian'. Oftewel: 'Monty Python!' als het onwaarschijnlijke nieuwe wachtwoord om toegelaten te worden tot de westerse burcht. Dat komt eerder in de buurt van ontgroening dan van burgerschap.

Daarmee hangt iets anders samen: het vleiende idee dat 'wij' alles kunnen hebben, als grote mensen, en zij maar aangebrande kleine kinderen zijn. Ook de liberale samenleving kent een dicht web aan informele regels om terughoudendheid en wellevend te zijn. Dat geeft nu juist emplooi aan de provocateurs waar we op tv zo om moeten lachen. Zij bestaan bij de gratie van talloze dingen die we normaal gesproken juist niet doen, woorden die we niet uitspreken - en met goede reden.

In plaats daarvan preken we nu de totale vrijheid om te zeggen wat je denkt, afgedekt door de laconieke mantra 'dan ga je maar naar de rechter'. Een deftige manier om te zeggen: bekijk het maar, het is jouw probleem. Zowel de rechterlijke macht als de burger wordt daarmee tekort gedaan: de eerste verwordt tot een soort kaste van deskundigen die als enige wèl over ons gedrag mag oordelen, de tweede tot een morele Neanderthaler die nergens van weet, of een cynicus die aan de balie zijn boete pint en overgaat tot de orde van de dag. Zulk afschuiven is bovendien schijnheilig: je kunt je de verontwaardiging van de seculiere voorhoede voorstellen mocht de rechter cartoonofobe moslims eens gelijk geven. Dan is het vermoedelijk opeens 'crisis in de rechtsstaat'. Inderdaad, er is geen 'recht op gekwetst-zijn', zoals moslims nu wordt voorgehouden. Anderzijds bestaat ook geen maatschappelijke plicht om het niet te zijn.

Nu doet dat er allemaal weinig toe, wanneer je meent dat we al in oorlog zijn, met een deel van onze eigen bevolking. Dat lijkt de overtuiging van Hirsi Ali, die de voorman van de ChristenUnie, André Rouvoet, op de televisie toevoegde: 'Uw geloof hoeven we niet meer te bestrijden.' Het húnne dus wel. Niet verwonderlijk blijkt het recht op persvrijheid dan opeens ook een 'plicht' te zijn voor journalisten, namelijk om spotprenten van Mohammed 'te laten tekenen en af te drukken', zoals het VVD-Kamerlid zei in Berlijn.

Er klinken gelukkig ook steeds meer gematigde reacties. Wie weet is het einde in zicht van een publiek debat waarin de radicale standpunten tegen elkaar indraaien als asynchrone gebedsmolens. Dan kunnen we vooruit met waar het om moet gaan: een civiele modus vivendi in de kleine en krappe wereld waarin niet alleen moslims, maar ook wij terechtzijn gekomen. Dat vergt soms de rug recht houden (dus geen censuur op cartoons), soms meegeven, zeker ook humor, en de neiging kunnen weerstaan om, in pogingen de westerse cultuur te verdedigen, daar zelf een karikatuur van te maken.

Sjoerd de Jong is redacteur van NRC Handelsblad.