Rebellen rekenen op snelle overwinning

De Verenigde Staten vechten in Irak tegen een vijand die ze nauwelijks kennen. Daarom heeft de International Crisis Group de Iraakse opstand geanalyseerd aan de hand van de publicaties van de rebellen zelf.

Ook al staan de Iraakse dodencijfers niet meer dagelijks in de krant, de opstand gaat door. Gisteren werden vier scholieren gedood, onder wie twee zusjes en een broer, toen een bom ontplofte in het centrum van Bagdad. Mogelijk, aldus de politie, was een fotowinkel die ook drank verkoopt het doelwit. Alleen al in Bagdad stierven gisteren nog 14 mensen bij divers geweld.

Wie zijn de daders? Bijna drie jaar na het begin van de opstand maken de Iraakse en Amerikaanse autoriteiten niet de indruk dat ze precies weten wie dat zijn. Er is een globale indeling. Buitenlandse terroristen krijgen, zeker als ze van het Al-Qaeda-type zijn, van de Amerikanen veel aandacht, hoewel zij tegelijk toegeven dat dit maar een kleine minderheid van de geweldplegers is. Verder is er de categorie aanhangers van Saddam Hussein, aanvankelijk door de Amerikaanse autoriteiten wel deadenders genoemd, om aan te geven dat het een hopeloos zootje was. Er zijn sunnitische extremisten ('islamofascisten') die van de gelegenheid gebruik willen maken om een islamitische heilstaat te stichten. Dan zijn er de mensen die de buitenlandse bezetting gewoon niet pikken, of die door de Amerikanen of Britten zijn gebruskeerd - ten onrechte vastgezet, mishandeld in Abu Ghraib, vrouwen gekrenkt, een familielid gedood. En ten slotte gewone misdadigers, die baat hebben bij voortdurende onrust. Maar veel verder dan deze ruwe classificatie is het tot dusverre niet gekomen.

De International Crisis Group (ICG), een gezaghebbende denktank die in Brussel is gevestigd, probeert dit vacuüm nu op te vullen met een analyse van de opstand op basis van studie naar alle vormen van communicatie van en tussen rebellengroepen tussen half 2003 en januari 2006. Het materiaal is geleverd door websites, internet chatrooms, bladen, pamfletten en video- en geluidsbanden. De ICG beperkt zich tot groepen die verantwoordelijkheid hebben opgeëist voor gewapende aanvallen in 2005. Volgens de ICG vormen deze groepen op zijn minst een substantieel deel van de opstand.

Natuurlijk, zegt de ICG, heeft deze aanpak beperkingen. Uiteindelijk gaat het alleen om materiaal dat de rebellen zelf kwijt willen. Maar het geeft wel degelijk inzicht in interne debatten, de mate van onderlinge coördinatie en tactische en strategische veranderingen.

Volgens de ICG wordt de opstand nu gedomineerd door vier grotere, goedgeorganiseerde groepen:

Al-Qaeda in Mesopotamië (Tandhim al-Qa'ida fi Bilad al-Rafidayn), van de Jordaanse terroristenleider Abu Musab al-Zarqawi;

Strijders van het Sunna Leger (Jaysh Ansar al-Sunna), kennelijk een product van Ansar al-Islam, een met Al-Qaeda verbonden groep die vroeger in het Koerdische noorden van Irak opereerde;

Het Islamitisch Leger in Irak (Al-Jaysh al-Islami fil-Iraq), moslimextremistisch met een patriottisch tintje, en

Het Islamitisch Front van het Iraakse Verzet (Al-Jabha al-Islamiya lil-Muqawama al-Iraqiya, bekend als Jami), nationalistisch met een (extreem)religieus tintje.

Volgens de ICG blijkt uit hun bekendmakingen dat de verschillen tussen de groepen geleidelijk kleiner worden. Zarqawi's organisatie - 'volgens sommige waarnemers zwaar overschat', aldus het rapport - wordt bijvoorbeeld steeds Iraakser en minder extreem (denk aan onthoofdingen) in haar geweld. Alle vier groepen zijn zo langzamerhand te kwalificeren als varianten op een extreem-sunnitisch/nationalistisch thema. Ze gebruiken bijvoorbeeld dezelfde passages uit de koran en verwijzen naar dezelfde mythisch-religieuze gebeurtenissen en helden.

Daarbij richten ze zich behalve tegen de bezetting steeds meer tegen de shi'itische partijen, die ze er niet zonder reden van verdenken de nationale instituties te willen overnemen. Opmerkelijk verschil met het begin van de opstand: toen zagen ze hun strijd als een langdurige jihad, heilige oorlog; nu spreken ze optimistisch van een snelle overwinning na het verwachte vertrek van de Amerikaanse troepen.

In het algemeen rust de opstand op een los netwerk, waarbij trouw aan familie en stam een belangrijke rol speelt. De rebellen zijn volgens het rapport eerder de zaak toegedaan dan bepaalde leiders - gedode leiders worden snel en geluidloos vervangen. Dat verklaart de geringe uitwerking van de uitschakeling van Saddam Hussein in 2004 en van zovele adjuncten van Zarqawi die door het Amerikaanse leger met enig tromgeroffel dood zijn gemeld.

Van Amerikaanse en Iraanse regeringszijde wordt de laatste maanden bereidheid gemeld bij sommige - niet-Al-Qaeda - groepen om te praten over stopzetting van het geweld. Er waren zelfs berichten geweest dat Amerikaanse vertegenwoordigers al onderhandelen met opstandelingen. Maar uit publicaties op internet en in video's is dat niet op te maken. Geheime contacten kunnen niet worden uitgesloten, zegt de ICG, maar het is een feit dat geen enkele gewapende groep zelfs maar zinspeelt op de mogelijkheid van onderhandelingen. Integendeel, die verketteren ze als uiterste vorm van oneer.

In their own words: reading the Iraqi insurgency. www.icg.org