Nog een gouden plak

Het Centraal Bureau voor de Statistiek heeft dinsdag zijn eerste raming over de Nederlandse economie over 2005 gepubliceerd. In een toelichting verklaarde een onderzoeker dat de groei een half procent hoger had kunnen uitvallen als er minder feestdagen doordeweeks waren gevallen. Voor wie het wilde horen klonk dat bijna spijtig.

Het deed me denken aan een tijd dat ik voor mijn werk regelmatig naar Amerika vloog, en vaak boodschappenlijstjes meekreeg van de kinderen. Dan moest ik daar dingen voor ze kopen die hier niet te krijgen of te duur waren. Bovendien hadden ze bedacht dat in de praktijk voor hen vaak gratis was wat ik voor ze kocht, en dat stimuleerde de vraag. Op mijn bedrijf in Pittsburgh leende ik dan meestal halverwege de dag een auto om in een shopping mall mijn opdrachten uit te voeren.

Wat me daar altijd trof, was hoe uitgestorven deze winkelparadijzen waren op doordeweekse ochtenden of middagen. Kennelijk had bijna niemand er tijd om zomaar wat te gaan winkelen. Het weinige publiek dat er was, bestond uit vrouwen; een middelbare man in zakenkostuum was er echt een verdachte verschijning. Pas toen kreeg ik er oog voor, hoe gezellig druk het bij ons eigenlijk is in elk willekeurig provinciaal stadswinkelcentrum. Volgens allerlei officiële statistieken hebben we minder geld dan de gemiddelde Amerikaan, maar we hebben wel meer tijd om ervan te genieten.

Over die officiële statistieken stond vorige week een intrigerend artikel in het Britse weekblad The Economist. De standaardmaatstaf voor de welvaart in een land is sinds een jaar of vijftig het bruto binnenlands product (bbp), of het bruto nationaal inkomen (bni). Niet alleen is het een graadmeter, het is ook een belangrijk getal voor de internationale economische competitieladder. Een jaar of wat geleden bijvoorbeeld ontstond er in Italië een juichstemming toen dat land Engeland ingehaald bleek te hebben. Wat je meet, beweegt. Een economische maatstaf wordt een politieke werkelijkheid. Zo voelt Europa zich al jarenlang het sukkelige broertje van de Verenigde Staten omdat het minder presteert op de bbp-ranglijst. Dat leidt tot initiatieven als de Lissabon-agenda, die ons volgens officiële publicaties moet maken tot 'de meest dynamische en concurrerende kenniseconomie van de wereld'.

Het artikel in The Economist ging over een initiatief van de OESO. Dat is de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling, het economische Vaticaan van rijke industrienaties. In die kerk is vloeken bijna onmogelijk, want wat daar wordt gezegd, hoe schokkend ook, wordt bijna vanzelf dogma.

Enigszins verscholen maar toch onmiskenbaar zegt de OESO in een nieuw rapport, Economic Policy Reforms: Going for Growth 2006, dat welvaart misschien meer omvat dan bbp en bni. Ze gooien deze begrippen niet overboord, maar brengen er wel correcties op aan. Zo zijn grote verschillen in rijkdom een minpunt: het miljoen dollar extra dat de rijkaard ontvangt, is minder waard dan de duizend keer duizend dollar van arme mensen. Verder is er de factor vrije tijd - de gelegenheid om te doen wat je wilt in plaats van wat je moet.

Wat gebeurt er met de competitieladder als je deze correcties meeneemt? Koploper VS wordt ingehaald door Frankrijk en Engeland voor wie ongelijkheid meetelt. En wie verschijnt er op kop als je waarde toekent aan vrije tijd? Jawel, Nederland. Eindelijk weer gidsland; toch een eigen tak van sport waar we een gouden medaille binnenslepen. Het is een soort tweekamp: lekker geld verdienen, en ook tijd hebben om ervan te genieten. Op geen van beide nummers zijn we wereldkampioen, maar in de combinatie is niemand beter dan wij. Geen ongunstige positie om in te nemen, lijkt me, en in elk geval iets om bij stil te staan voordat we blindelings achter de Lissabon-agenda aan gaan hijgen.

Er zijn wel vaker initiatieven ontwikkeld om de terreur van de bbp-competitie te dempen. Een tijd geleden maakte het blad New Scientist melding van een index voor bruto nationaal geluk, samengesteld door een wereldwijd netwerk van gedragswetenschappers onder de noemer World Values Survey. De gelukkigste mensen wonen volgens dat onderzoek op voor ons totaal onwaarschijnlijke plekken als Nigeria, Mexico, Venezuela en El Salvador - arme landen waarvan wij eigenlijk vinden dat ze door ons uit hun beklagenswaardige staat geholpen moeten worden. Wat ons een slecht geweten bezorgt, is dat zij dingen niet hebben die wij belangrijk vinden. Hun oplossing is niet dat ze die ook gaan willen, maar gewoon weigeren belangrijk te vinden wat wij hebben. 'De begeerte naar materieel bezit is een geluksonderdrukker', stellen de rapporteurs van de World Values Survey. Maar het jaagt de economische machine wel aan. De Survey laat een grafiek zien van de inkomensontwikkeling in de Verenigde Staten. Die is, gecorrigeerd voor inflatie, tussen 1957 en 2002 toegenomen van 10.000 tot 90.000 dollar gemiddeld. In diezelfde periode ging het percentage 'erg gelukkige' mensen er omlaag van 34 naar 31 procent.

Een BBC-reportage over het New Scientist-artikel zet de ingrediënten van geluk nog iets duidelijker neer. Er is een erfelijke aanleg voor; huwelijk en vrienden zijn gunstig, net als geloof, trouw en vertrouwen. Doe iets aardigs voor anderen en vergelijk jezelf niet met hen. Aanvaard het ouder worden met blijmoedigheid. En tob niet als je niet geniaal bent. Dat wisten we natuurlijk allang uit allerlei hoogstaande en idealistische geschriften, maar dat er letterlijk hele volksstammen zijn die dat gewoon in praktijk brengen, dat is toch wel irritant. Het draait de rollen om. Plotseling zijn wij de beklagenswaardigen.

Toch beginnen dit soort inzichten dus door te dringen in de wereld van economie, macht en politiek. De Strategy Unit van het kabinet van de Britse minister-president beveelt aan om een ruimere maatstaf dan het bbp te gebruiken voor hoe goed het gaat met het land, en ook de prelaten van de OESO beginnen geloofsartikelen te omarmen die tot voor kort equivalent waren aan economisch spiritisme. Benieuwd wanneer het CBS met vreugde komt vertellen dat het ons in een bepaald jaar zo goed is gegaan omdat we zoveel vrije dagen hadden.