'Het Westen is te laat'

In ruil voor olie renoveert China het door bijna dertig jaar burgeroorlog verwoeste Angola. Zonder vragen over mensenrechten, zonder vragen over corruptie. Ze zijn efficiënt, de Chinezen. Ze werken hard. En het belangrijkste: 'Ze zijn ook aardig en beleefd.'

De Chinezen eten honden. De Chinezen wonen niet in huizen maar op boten, buiten de stad, uit het zicht. De Chinezen zijn gevangenen uit Peking, Shanghai, Macau en Hongkong. De Chinezen slapen nooit, werken alleen maar. De Chinezen spreken geen woord Portugees.

Angolezen vertellen elkaar graag verhalen over de Chinese expats die hier onlangs zijn neergestreken. Ze hebben waarschijnlijk Zhao Jintao nog niet ontmoet, bouwondernemer in de havenstad Lobito, 700 kilometer ten zuiden van de Angolese hoofdstad Luanda. Hij houdt van vis en hij houdt van kip. Hij woont in een stenen huis. Hij werkt acht uur per dag. Hij spreekt vloeiend Portugees, en zelfs een beetje Engels.

Zo kan hij goed verstaanbaar het verschil duidelijk maken tussen Angolezen en Chinezen. 'Angolezen', zegt hij onderuit zakkend op zijn groenleren bank op zijn ingenieurskantoor, 'hebben het altijd over morgen. Maar wij doen het werk toch liever vandaag. En als ze een afspraak met je maken, zijn ze tenminste een uur te laat. Wij zijn altijd op tijd.'

En of de Chinezen op tijd zijn in Angola. Niets veranderde het gezicht van dit door 27 jaar burgeroorlog verwoeste land zo radicaal als de komst van de Chinezen. Amper vier jaar na het uitbreken van de vrede stampen ze in de hoofdstad Luanda het ene na het andere marmeren regeringsgebouw uit de grond. Het ministerie van Financiën is al af. En boven het Paleis van Justitie, al twintig jaar een doorzichtig geraamte, kreunen nu de ijverige hijskranen uit China. De Chinezen leggen wegen aan, dit jaar alleen al 1.200 kilometer. De Chinezen repareren bruggen. De Chinezen restaureren treinrails, havens en vliegvelden. De Chinezen bouwen huizen.

'Wij zijn goed voor Angola', zegt Zhao Jintao, zelf net begonnen met de bouw van 500 woningen voor ambtenaren. En waarom is Angola goed voor China? Jintao kijkt verward naar zijn collega, alsof hij het niet goed heeft verstaan. 'Angola goed voor China? Geen idee.'

Maar Angola is inmiddels de op één na grootste handelspartner van China in Afrika. Volgens de Chinese ambassade in Luanda was de bilaterale handel tussen de twee landen in 2004 al 4,9 miljard dollar (4,1 miljard euro) waard. Dat is 113 procent meer dan het jaar ervoor. De reden voor die plotselinge Chinese belangstelling voor Angola ligt in zee. Dertig procent van de olie die het Angolese staatsoliebedrijf Sonangol hier jaarlijks uit de zeebodem pompt, verdwijnt inmiddels naar het Chinese vasteland. Het Chinese staatsoliebedrijf Sinopec zal hier spoedig ook beginnen met de exploratie van nog onontgonnen olievelden.

Dat waren de voorwaarden van een omstreden overeenkomst die de Angolese regering in 2004 met China sloot.

'Aardig en beleefd'

De Chinese Eximbank schreef toen een lening uit van 2 miljard dollar voor de wederopbouw van Angola, tegen een minimale rente (1,5 procent) en met de olie als onderpand. 70 procent van de bouwcontracten moet volgens de overeenkomst naar Chinese bedrijven gaan.

De deal zette in één klap het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank buitenspel. Al jaren onderhandelt de internationale gemeenschap met Angola over een lening voor de wederopbouw. Al jaren zijn de voorwaarden voor zo'n lening hetzelfde. De regering van president José Eduardo Dos Santos, een van de vijftig rijkste mannen ter wereld, moet eerst duidelijk maken wat er is gebeurd met de 4,6 miljard dollar aan olie-inkomsten die tussen 1997 en 2002 spoorloos zijn verdwenen. De regering moet haar boeken openen. En de regering moet verkiezingen organiseren, die hier sinds 1992 niet meer zijn gehouden.

'Steeds weer stelt de internationale gemeenschap nieuwe voorwaarden', zegt Norberto dos Santos. Hij is geen familie van de president maar de woordvoerder van de regeringspartij MPLA in Luanda. 'Zo lang kunnen Angolezen niet wachten. Wij hebben nu wegen nodig. We hebben nu bruggen nodig. En China wil ons nu helpen.'

Niemand kent de details van de overeenkomst met China. Het parlement werd niet geraadpleegd. Het eerste miljard van de lening is inmiddels uitgegeven. Volgens de doorgaans goed ingelichte internetkrant Africa Confidential is 30 tot 40 procent van de uitgaven 'onverklaard, onverantwoord'. 'Wat gebeurt er met al dat geld?' wil mensenrechtenadvocaat David Mendes van de Portugese mensenrechtenorganisatie Maos Livres weten. 'De Chinezen stellen geen vragen. De regeringspartij heeft geld nodig voor de verkiezingen als ze eens worden gehouden. Het geld uit China kan daarvoor gemakkelijk worden gebruikt. Niemand die het controleert.'

Mensenrechtenorganisaties zetten westerse oliebedrijven al jaren onder druk om de betalingen aan de Angolese regering openbaar te maken. Dat lukt maar mondjesmaat. Toen het Britse energieconcern BP een paar jaar geleden het bedrag vrijgaf dat het aan het Angolese staatsoliebedrijf Sonangol had betaald, dreigde de Angolese regering de Britten het land uit te zetten. De angst bestaat dat met de verschijning van de Chinezen westerse oliebedrijven nog minder geneigd zullen zijn mee te werken aan het gevecht tegen de corruptie. 'De regering kan nu op haar lauweren rusten', zegt econoom Justino Pinto de Andrade. 'Het geld van de Chinezen is binnen. Niemand praat hier nog over corruptie.'

Ook niet in het kantoor boven het treinstation van Lobito, het hoofdkantoor van de Benguela spoorwegen (CFB). Een Chinese aannemer staat daar over de kaart gebogen van het zuiden van Angola. Voor 300 miljoen dollar zal het China International Fund LTD het 1.344 kilometer lange treinspoor repareren dat ooit de kustplaatsen Benguela en Lobito verbond met het oosten van het land maar tijdens de oorlog werd verwoest. Vóór augustus 2007. De springerige woordvoerder van CFB, Emilio vaz de Carvalho, noemt dat de 'Grote Stap Voorwaarts'. 'Het westen is te laat. Tegen de tijd dat Europa en Amerika beseffen hoeveel geld hier valt te verdienen, zullen de Chinezen een onoverbrugbare voorsprong hebben opgebouwd. Ze pompen al olie, ze kopen al diamanten, ze doen de logistiek.' Dan buigt De Carvalho over de tafel, om het belang te onderstrepen van de woorden die nu gaan komen. 'Want de Chinezen zijn niet alleen efficiënt. Ze werken niet alleen hard. Het belangrijkste voor ons is: ze zijn ook aardig en beleefd.'