Meer zeggenschap over Europa

Op de Nationale Conventie, die de kloof tussen burger en politiek moet dichten, is aanpassing van de Grondwet een cruciaal punt. Sophie van Bijsterveld meent dat de nieuwe constitutie moet aangeven wat Nederlanders bindt. Volgens Omar Ramadan moet de nieuwe Grondwet ook basale spelregels tussen burgers onderling formuleren. Wim Voermans betoogt dat vertrouwen van de burger in de politiek toeneemt als het nationale parlement meer betrokken wordt bij Europese wetgeving.

Een paradox: volgens het Sociaal en Cultureel Planbureau (2005) is het wantrouwen in de politiek groot, maar ook de politieke betrokkenheid. Hoe kan dat nou? Dat is ook een vraag waarover de Nationale Conventie zich buigt, in een poging om de prop van veertig jaar bestuurlijke vernieuwingspogingen los te schieten.

De essentie van democratie is: geen binding zonder zeggenschap. Als burgers oefenen we zeggenschap uit door afgevaardigden te kiezen in volksvertegenwoordigingen. Die controleren het bestuur en nemen namens ons beslissingen. Een vaak wat onderbelicht aspect van democratie is de verwachting dat een gekozen politicus zijn mandaat onderhoudt. Dat hij zich voortdurend verstaat met degenen die hem hebben gekozen.

Die voeling van Nederlandse politici met de kiezers is weinig ontwikkeld. Dat heeft te maken met een cultuur die vanouds groot vertrouwen stelt in het bestuur en met achterhaalde structuren voor tussentijdse kiezersraadpleging. Omdat tegenwoordig grote groepen zwevende kiezers bestaan, zijn politieke partijen een steeds minder geschikt platform voor ruggespraak met de kiezer. Communicatie met die kiezer gedurende de rit kan en moet anders, intensiever, serieuzer, anders gaat het mis.

Moderne democratie kent naast een rationele een emotionele (“symbolische') kant. Enerzijds is er de rationele wetenschap vertegenwoordigd te zijn en mee te spreken via allerlei gewaarborgde structuren (kiesstelsel, parlementaire regels, inspraak, etc.), anderzijds het gevoel echt vertegenwoordigd te zijn en daadwerkelijk invloed uit te kunnen oefenen.

Dat beide kanten belangrijk zijn werd duidelijk bij het Nederlandse “nee' tegen de Europese grondwet. Voor dat “nee' worden heel verschillende verklaringen aangevoerd. Een van de plausibele lijkt ons de verklaring dat de kiezer zich heeft verzet tegen een schimmige en ondoordringbare wijze van Europese zaaksbehartiging, met onverwachte uitkomsten. De verontwaardiging over het feit dat “ineens' blijkt dat Europees recht voorrang heeft, er een ongrijpbare vloed van regels over ons heen komt, een gevoel van onmacht. Dat raakt een open zenuw in de idee van democratie.

Ons democratisch bestel is niet goed ingericht op het toenemende volume van het Europese recht en de indringendheid daarvan. In theorie praten we in Nederland, via ons parlement, mee over Europees beleid en regels, maar in de praktijk komt er niet veel van.

Het Nederlandse parlement behandelt Europese wetsvoorstellen met lange tanden (té complex en weinig scoringskans), waardoor er weinig publiek debat, noch media-aandacht is, en de regering geheel de vrije hand heeft bij de onderhandelingen. Brusselse wetten komen daarna vaak als een onverwachte schok.

De rationele democratie (structuren en stelsels) strookt hier op geen enkele manier met de emotionele (het gevoel van invloed). Dat moet anders, want de vertrouwensschade die dit oplevert strekt verder dan de Europese dossiers. Het tast in algemene zin het vertrouwen in de politiek aan. Een schouderophalende politicus die beschuldigend naar Brussel wijst, bewijst zichzelf slechts op de korte termijn een dienst, maar maakt de per saldo internationaler wordende Nederlandse beleidsvorming ongeloofwaardig.

Hoe dit op te lossen? Doorgaan met Brusselse katjes in het donker knijpen, kan niet. Politici en bestuurders moeten daarin verandering brengen.

Vertrouwenswinst is wellicht te behalen door naar Brits en Deens voorbeeld te werken met een behandelingsvoorbehoud, dat inhoudt dat de regering in Brussel niet mag onderhandelen over een EU-wetsvoorstel zonder dat het Nederlandse parlement er over heeft gedebatteerd.

Onderzoek toont aan dat zo'n voorbehoud allerlei aardige voordelen heeft. In ieder geval verankert een “behandelingsvoorbehoud' de controle en (het gevoel van) invloed op Europese beleid en brengt het het debat over Europa naar de plek waar het thuishoort: in ons nationale parlement.

Wim Voermans, Lid van de adviesraad voor de nationale conventie, hoogleraar staats- en bestuursrecht Universiteit Leiden, en Bernard Steunenberg, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit Leiden.

www.nrc.nl/opinie:

Jos de Beus en anderen “Doorbreek de vicieuze cirkel van ontevreden kiezers en onzekere gekozenen'

Rectificatie / Gerectificeerd

Boven het artikel Meer zeggenschap over Europa (15 februari, pagina 6) stond alleen de naam van Wim Voermans , hoogleraar staats- en bestuursrecht te Leiden. Co-auteur is Bernhard Steunenberg, hoogleraar bestuurskunde aan de Universiteit Leiden.