Het vehikel van de macht

Naast diep uitgesneden decolletés, biedt de Italiaanse publieke omroep vooral een podium aan de zittende macht. Niet iedereen is daar blij mee. “Ik droom van televisie die de burger in plaats van de politiek respecteert.“

Televisie in Italië is romantische films over historische helden, spelprogramma's, maar boven alles zeer diep uitgesneden decolletés op ooghoogte van kleine, grijzende presentatoren. Of je nu de commerciële of de publieke zenders langs zapt, de kans is groot dat minstens drie van de zeven nationale kanalen hun sport-, praat- of politieke programma's op een dergelijke wijze versieren. Het kan blijkbaar niet anders, ook niet voor de publieke omroep. In de keiharde strijd om de kijkcijfers is er bij de Rai pas na elf uur 's avonds ruimte voor achtergronden bij het nieuws, boeiende documentaires en goede onderzoeksjournalistiek.

Misschien juist dankzij deze buiging voor de commercie is de Rai een grootmacht. In West-Europa heeft geen enkele publieke omroep zo'n groot marktaandeel als de Rai in Italië: 44,29 procent op prime time tegen 31 procent voor Nederlandse publieke zenders, en 42,81 procent voor de commerciële Mediaset-zenders van Silvio Berlusconi. Verder zendt de Rai meer uren uit dan welke Europese zusteromroep ook: 24.024 uur per jaar, tegen bijvoorbeeld 16.715 uren voor de BBC.

Italië kent zeven nationale zenders. De drie commerciële kanalen van Berlusconi's bedrijf Mediaset: Canale 5, Italia 1 en Rete 4. Het kleine La7, dat in handen is van Telecom, en de drie publieke zenders RaiUno, RaiDue en RaiTre.

Rai en Mediaset zijn de hoofdrolspelers die wedijveren om de gunst van de kijkers en de adverteerders. Zij weten als geen ander dat je bij de Italianen, behalve met mooie vrouwen, scoort met muziek, het Vaticaan en met voetbal. Dit blijkt ook uit de lijst van best bekeken programma's van 2005. Op 1 stond de finale van het muziekfestival van San Remo (13,6 miljoen kijkers). Daarna volgden een documentaire over paus Johannes Paulus II, een politieke muziekshow, nog een documentaire over de paus, en de Champions League finale tussen Milan en Liverpool.

Om veel van dit moois (het voetbal niet) op de publieke televisie te kunnen zien, moet een Italiaans huishouden jaarlijks 99,60 euro aan omroepbijdrage betalen. Een eis waaraan overigens vijf miljoen Italiaanse families (22 procent van het totaal aantal kijkers) niet voldoen. Deze omroepbijdrage is goed voor 38 procent van de omzet van de Rai. Reclame draagt voor 51 procent bij en de rest van de inkomsten komt uit onder meer de verkoop van rechten. In totaal hadden alle Rai-onderdelen samen in 2004 een omzet van 2,8 miljard euro, 100 miljoen minder dan de commerciële concurrent Mediaset, die vooral op reclame-inkomsten leunt.

Behalve voor de commercie heeft de Rai ook altijd diep moeten buigen voor de politiek. Als leider van de regering heeft Berlusconi volgens de voorzitter van de vakbond van Rai-journalisten, Roberto Natale, een ongekende grip op de publieke omroep. “De Italiaanse wet staat het de regering toe te bepalen wie de publieke omroep leidt. Die leiding benoemt vervolgens weer de directeuren van de netten en van de televisiejournaals, en die personen bepalen wat wel en niet wordt uitgezonden.“

Hoezeer Berlusconi die invloed op de publieke omroep gebruikt, bleek al direct na zijn aantreden. De Rai haalde toen twee populaire journalisten van de buis, nadat Berlusconi hun had verweten dat ze “op een criminele manier“ misbruik hadden gemaakt van de publieke televisie. Hun belangrijkste vergrijp was dat ze tijdens de verkiezingen van 2001 tegenstanders van Berlusconi aan het woord hadden gelaten. Later zijn ook de journalist en de komiek die zich op tv afvroegen waar de rijkdom van Berlusconi vandaan komt, van de televisie gehaald.

De politieke controle op de publieke televisie is weliswaar verergerd sinds het aantreden van Berlusconi, maar is zeker niet nieuw. De drie zenders van de Rai zijn al sinds mensenheugenis verdeeld tussen de verschillende politieke stromingen in het land. RaiUno steunde altijd al de grootste regeringspartij, meestal de christen-democraten, maar nu Forza Italia. RaiDue was voor de kleinere regeringspartijen, voorheen de socialisten, nu vooral Lega Nord. En RaiTre staat bekend als de speeltuin voor de voormalige communisten en nu voor de linkse oppositiepartijen.

Deze situatie zal niet snel veranderen, vreest David Sassoli, nieuwslezer van het belangrijkste televisiejournaal, het TG1 op RaiUno. Ook niet als Berlusconi van het toneel mocht verdwijnen. “Ik droom van een publieke televisie die de burger in plaats van de politiek respecteert. Maar daarvoor moet de politiek een stap terug doen, en dat is iets wat politici nu eenmaal slecht ligt.“