De nieuwe Einstein moet in Europa wonen

Europa is begonnen aan een economische en wetenschappelijke neergang, schreef Fareed Zakaria. Titus J. Galama en Erik Frinking delen zijn zorg over het wetenschappelijke klimaat, maar betogen dat het tij kan worden gekeerd met de oprichting van een Europees Instituut voor Technologie.

De nieuwe Einstein woont in Amerika. Hij heet Edward Witten, is mathematisch natuurkundige en gespecialiseerd in onder meer snaartheorie en kwantumveldentheorie. Witten is onderzoeker aan het gerenommeerde Institute for Advanced Studies (IAS) in New Jersey, waar Einstein ook werkte.

Witten staat binnen de fysica op eenzame hoogte en heeft zo ongeveer alle prijzen ontvangen die er op zijn gebied bestaan, inclusief het hoogst bereikbare in de wiskunde, de Fields Medal. Enkele jaren geleden verruilde hij het IAS tijdelijk voor een andere wetenschappelijke oase: het California Institute of Technology (Caltech). Caltech wist hem tijdelijk binnen te halen met de bedoeling hem “over te kopen' met een uitstekend salaris en de mogelijkheid een grote onderzoeksgroep op te zetten

Witten is geen uitzondering. In de Verenigde Staten beconcurreren topuniversiteiten elkaar om de allerbeste onderzoekers in huis te kunnen halen. Maar het is niet alleen het salaris dat wordt ingezet in de strijd om de beste wetenschappers, het zijn ook de riante onderzoeksfaciliteiten aan Amerikaanse topinstellingen en de grote onderzoeksbudgetten waar vooraanstaande wetenschappers op afkomen. Vandaar dat de fine fleur van de Europese wetenschap, zowel jonge onderzoekers als de gevestigde orde, daar ook vaker zijn heil zoekt.

Het gevolg: het Europese wetenschappelijke klimaat verarmt in hoog tempo. Zeventig procent van alle Nobelprijswinnaars werkt aan Amerikaanse universiteiten en bijna de helft van alle gezaghebbende wetenschappelijke artikelen komt daar vandaan. Ging in de eerste vijftig jaar van de vorige eeuw nog bijna de helft van de Nobelprijzen naar Europese onderzoekers, in de afgelopen tien jaar is dat aantal verder gedaald tot nog geen twintig procent. Zeventien van de twintig topuniversiteiten op de wereldranglijst staan in de VS, maar twee in Europa (Oxford en Cambridge). En veel vertrokken Europese studenten en onderzoekers komen niet meer terug. Zestig procent van de Europese technische- en natuurwetenschappers die promotieonderzoek doen in de VS, zegt daar te willen blijven. Allemaal denkkracht onttrokken aan het Europese potentieel. Mensen in wier opleiding Europa vele miljoenen euro's heeft geïnvesteerd.

De Europese Commissie maakt zich al jaren grote zorgen over de afnemende kwaliteit van Europees onderzoek en innovatie. De Europese Commissie heeft al al gewaarschuwd voor een tekort, binnen tien jaar, aan een half miljoen ingenieurs en natuurwetenschappers. Omdat dat funest is voor de economische groei, de concurrentiekracht en het innoverend vermogen van Europa wil de voorzitter van de Europese Commissie, Barroso, vaart zetten achter de oprichting van een Europees Instituut voor Technologie (EIT). Barosso wil dat het instituut, dat er in 2009 moet zijn, fungeert als een “pole of attraction for the very best minds, ideas and companies from around the world.“

De Europese Commissie werkt aan een aanbeveling voor de opzet van een EIT die deze maand nog verschijnt. Barosso heeft al laten weten dat het niet de bedoeling is het wiel opnieuw uit te vinden. Concreet wil dat zeggen: laten we vooral voortbouwen op wat al bestaat, de beste krachten bundelen. We hebben goede instituten, laten we daar gebruik van maken. Voor een instelling die van de grond af aan moet worden opgebouwd, zou het veel te lang duren een wereldwijde reputatie op te bouwen.

Echter, wil Europa de top bereiken dan moet het durven juist wel iets nieuws neer te zetten. Pas dan kan zo'n instituut, niet gehinderd door bestaande structuren en tradities, optimaal vorm krijgen.

Wat zijn de karakteristieke eigenschappen van universiteiten aan de wereldtop en waarom heeft Europa er zo veel minder dan de VS? Uit onderzoek dat RAND Europe heeft uitgevoerd blijkt dat topinstellingen zich onderscheiden door een zeer hoge concentratie aan talent (zowel van studenten als van onderzoekers), toegang geven tot wetenschappelijke faciliteiten van wereldklasse en de beschikking hebben over uitstekende financiële middelen. Deze instituten bereiken dit door de internationale “marktwaarde' voor wetenschappelijk talent te bieden, door een zeer strenge selectie van studenten (en onderzoekers) uit een wereldwijde poel, door het garanderen van academische vrijheid, door zich te richten op een aantal wetenschapsgebieden, en door te zorgen voor een goede financiële basis. Dat laatste is mogelijk door naast overheidsgeld en collegegeld, te werken met bijdragen uit het bedrijfsleven, sponsoring van prestigieuze studiebeurzen en leerstoelen en met schenkingen van private donoren.

Om een instituut van wereldniveau te creëren is een radicaal ander universiteitsmodel vereist dan het typisch Europese. De Europese aanpak, het bevorderen van coördinatie door stimulering van netwerken van universiteiten, heeft geleid tot het verspreiden van middelen over zeer brede onderzoeksgebieden en veel instellingen, zonder dat dat duidelijk resultaat heeft opgeleverd.

De succesfactoren van de topuniversiteiten van de wereld tonen aan dat Europa niet moet uitgaan van bestaande instellingen, maar dat het een nieuw instituut van de grond moet opbouwen. Een vergelijking met jonge succesvolle instituten die zich aan zulke principes houden, zoals de business school INSEAD in Fontainebleau, laat zien dat een topinstituut goed kan functioneren en binnen twintig jaar tot de wereldtop kan horen. In het begin zal het instituut klein en gericht moeten zijn om de concentratie van talent en van financiële middelen te waarborgen.

Alleen al vanwege deze kleine schaal zal het EIT natuurlijk niet direct Europa helpen om het tekort aan ingenieurs en natuurwetenschappers op te vangen, maar het kan wel als een breekijzer dienen om het vastgelopen academische klimaat in Europa los te wrikken. Als voorbeeld voor wat mogelijk is in Europa, kan het navolging uitlokken op regionale en nationale schaal. Uiteindelijk moeten honderden instituten in Europa verrijzen die elkaar naar de top stuwen.

Intussen hebben regionale wetenschapsministers in Duitsland echter laten weten tegen het EIT te zijn. Zij zien meer heil in het upgraden van de bestaande universiteiten. In Frankrijk daarentegen heeft premier Dominique de Villepin een vergevorderd voorstel van het Strategic Innovation Council overgenomen voor een EIT in Parijs.

Het moge duidelijk zijn: wil Europa in wetenschappelijk opzicht echt de top bereiken dan moet het iets nieuws op poten zetten. Als de Commissie die moed niet heeft om dat te doen, zal het kabinet zich hiervoor hard moeten maken in onderhandelingen in de Raad van Ministers.

Edward Witten blijft voorlopig in Amerika. Zoveel is zeker.

Dr. Titus J. Galama en drs. Erik Frinking zijn respectievelijk senior analist en onderzoeksleider van RAND Europe.

www.nrc.nl/opinie:- Artikel Fareed Zakaria