Dag na dag na dag

Jan van Hinte is 70. Hij was professor in de paleontologie aan de VU in Amsterdam. Paleontologen houden zich bezig met de geschiedenis van het leven op aarde. En intussen verstrijkt ook voor hen de tijd.

“Een jaar of vier geleden“, zegt hij. “Op excursie in de Pyreneeën. Ik werd door vrouwen en kinderen voorbijgelopen. Ik wist nog niet dat ik het aan mijn hart had, ik werd kwaad, kwáád.“

Na een jeugd in Muiden, waar zijn vader brood- en banketbakker was en onvergetelijke saucijzenbroodjes maakte, studeerde hij geologie in Utrecht. Doe daar de nodige biologie bij en je krijgt paleontologie. Met een hamer en een loep en een kompas en een flesje verdund zoutzuur het veld in.

Zijn promotie-onderzoek (cum laude) deed hij in Karinthië, een terrein van tien bij tien kilometer, vochtige hellingen waarop hier en daar een kaal stuk rots aan de oppervlakte kwam “Dat noemen wij een ontsluiting.“ Voormalige zeebodem dus die is opgestuwd en verkreukeld bij de vorming van de Alpen.

Deze aardlagen zijn oorspronkelijk netjes horizontaal afgezet. Ze bestaan uit het sediment van continenten, vermengd met de overblijfselen van afgestorven en neergedwarrelde beestjes. Veel informatie ligt opgeslagen in de resten van eencelligen uit de orde der foraminiferen, in het Nederlands: gaatjesdragers.

In een monsterflesje ziet dat eruit als gruis, zand, maar onder de microscoop verandert het in talloze schelpjes. Gaatjesdragers helpen om de leeftijd van gesteente te bepalen en zeggen ook iets over het milieu waarin het ontstaan is.

“En hoe oud was het daar?“

“Tachtig tot vijfenzestig miljoen jaar.“

Van 1966 tot 1978 werkzaam bij Esso. Bordeaux in Frankrijk, Calgary in Canada, Houston in Texas - daar stonden de laboratoria, maar in feite kwam je over de hele wereld. Steeds met je neus vooraan bij eerste boringen, de opsporing van nieuwe olievelden.

“Je werd“, zegt hij, “ingevlogen als het erom ging spannen. Aan boord van het schip of platform analyseerde je de laatste bodemmonsters en dan moest je op het goede moment stop roepen. Met één beslissing kon je het salaris van je hele leven voor zo'n Esso terugverdienen.“

Van 1978 tot 2000 hoogleraar aan de Vrije Universiteit, paleontologie, stratigrafie en mariene geologie. Dat laatste met het oog op relevante processen in de huidige wereldzeeën. Want zoals je het verleden nodig hebt om het heden te begrijpen, zo kan het heden helpen om het verleden te begrijpen.

“Ik heb“, zegt hij, “ruim dertig promovendi gehad en die zijn uitgezwermd over de hele wereld.“

Al dat werk in combinatie met het lidmaat- of voorzitterschap van een reeks wetenschappelijke organen en commissies.

“En wie“, vraag ik, “zit er nu op uw leerstoel?“

“Mijn leerstoel is opgeheven.“

“Opgeheven?“

“Je gaat met pensioen“, zegt hij, “en alles wat je hebt opgebouwd wordt weer afgebroken, en je vraagt je af of ze er ooit waardering of belangstelling voor hebben gehad.“

“Mijn vak“, zegt hij, “heeft me veel plezier bezorgd. Die wisselwerking tussen levende en dode natuur... ik vind het een uniek en fascinerend systeem.“

“Waarop het leven“, zeg ik, “nu in een ongelooflijk tempo aan het verschralen is.“

“Inderdaad, het uitsterven gaat momenteel op een ongekende schaal. De evolutietheorie leert ons natuurlijk dat elke niche die vrijkomt door nieuw leven zal worden gevuld. Maar wat nu in honderd jaar verloren gaat, zal in geen duizend jaar vervangen kunnen worden. Wat dat betreft hebben wij mensen op deze planeet het effect van een komeetinslag.“

“Alleen langzamer“, veronderstel ik.

“Iets langzamer“, zegt hij.

“En als wij uitsterven?“

“Ja, so what? De aarde heeft wel voor heter vuren gestaan. Als de mensheid verdwijnt... het léven verdwijnt niet zo makkelijk hoor.“

“Is dat een troost?“

“Waar heb je troost voor nodig?“

“Wat heb je aan leven op aarde“, vraag ik, “als er geen bewustzijn meer is dat erover reflecteert?“

“Nou ja“, zegt hij, “ik zeg niet dat het geen verlies zou zijn of zo...“

In afwachting van zulke grote of misschien toch wat kleinere gebeurtenissen leeft iedereen zijn eigen leventje, hij met zijn vrouw Dorine in een prettig huurhuis in Oud-Zuid. “Maar ik begrijp“, zeg ik, “dat jullie ook een huisje in Frankrijk hebben.“

“Wacht“, reageert hij. “Ik zal het je laten zien.“ En dan geeft hij me een ansichtkaart. Château de Blagnac.

“Ach“, zeg ik, “ach.“ Geen huisje, maar een heus château, op een heuvel aan de Dordogne, schuin tegenover St. Emilion. Dat bezitten ze sinds zijn Bordeause tijd en elk jaar besteden ze nu zes maanden aan de instandhouding ervan. Het is beschikbaar voor congressen, seminars, workshops e.d.

Hij sluit niet uit dat hij (ooit) hier (in Amsterdam) zal overlijden, maar dan wil hij dáár begraven worden.

“De tijd“, zegt hij. “De tijd is iets waarover ontzettend veel geouwehoerd wordt. Iedereen weet dat een halfuur bij de tandarts wat anders is dan een halfuur bij je vriendin. Maar dat is de percéptie van tijd. Voor mij, in mijn vak, is tijd een lineair begrip, en dat maakt het ook tot een werkbaar begrip. Neem de aarde in het Krijt - de continenten lagen heel anders, het klimaat was anders, er was veel meer zoet water dan nu, maar de fundamentele processen waren hetzelfde. Een dag was een dag, ook toen.“

“Wat ouder' is een serie gesprekken met mensen die zeventig zijn.