Kafka

De eigenschap die mij bij Franz Kafka het meest treft, is zijn vermogen tot zelfverachting. Dat ben je niet gewend van schrijvers, zeker niet van schrijvers van zijn niveau. De meeste schrijvers zijn niet wars van zelfpromotie, ze koesteren hun ego als een juweel. Kafka niet, Kafka stapt op ons af en zegt: ik ben mislukt, het spijt me.

Aan zijn vriend Max Brod schrijft hij in november 1917: '(...) ik heb mij in de stad, in mijn familie, mijn beroep, de samenleving, in een liefdesverhouding (zet die als je wilt op de eerste plaats), de bestaande of na te streven volksgemeenschap, op al die gebieden heb ik mij niet waargemaakt en dat op een manier die - daarin heb ik scherp waargenomen - niemand om mij heen overkomen is.'

Hij zegt zelfmoord overwogen te hebben, maar de gedachte die hem weerhield was: 'Jij, die niet in staat bent iets te doen, wilt nu juist dit doen? Hoe kun je die gedachte wagen? Als je jezelf kunt vermoorden, dan hoef je het in zekere zin niet meer.'

Volgens Brod was Kafka's zelfverachting veroorzaakt door zijn vader, die hem van kindsbeen af afkeurend behandelde. Brod hield dat Kafka ook steeds voor, maar het hielp niet. Tegen Brod doet hij losse uitspraken als: 'Elke dag wens ik mij van de aarde weg' en 'Niets ontbreekt mij, behalve ikzelf.'

Met enige kwade wil zou je zijn zelfverachting koketterie kunnen noemen, een manier om aandacht te krijgen voor het veronachtzaamde kind in hem. Maar omdat Kafka zijn negatieve visie op zichzelf door de jaren heen met zulke ijzeren consequentie volhoudt, raakte ik ook op dit punt steeds meer overtuigd van zijn oprechtheid.

Kafka was geen veinzer. 'Ik ben bang voor alle nagemaakte dingen', zegt hij tegen zijn jeugdvriend Gustav Janouch. 'Het 'alsof' is altijd een valstrik van de duivel. Dat kan je overal om je heen zien. Er bestaat niets ergers dan de schijn, die iedere activiteit in zijn tegendeel verandert.'

Janouch laat Kafka een boek zien dat hij van zijn eerste weekloon heeft laten vervaardigen. Het bevat drie verhalen van Kafka. Kafka kijkt er verbaasd naar. Hij knippert met zijn ogen, begint te hoesten. 'Je overschat mij', zegt hij. ' Je vertrouwen verplettert mij (...) Ik ben geen brandend braambos. Ik ben geen vlam.'

Janouch zegt: 'Voor mij bent u vuur, warmte en licht.' 'Nee, nee', zegt Kafka, 'je vergist je. Mijn geschrijf verdient geen leren band. Het is niets anders dan mijn heel persoonlijk angstspook. Het moest helemaal niet gedrukt worden. Het moest verbrand en uitgedoofd worden. Het heeft geen enkele betekenis.'

Als Janouch aanhoudt, lijkt Kafka bijna in te storten. Hij slaat zijn handen voor zijn ogen, zegt: 'Toe, hou op.'

Ten slotte zegt hij, terwijl hij met zijn gebalde vuisten op de schrijftafel leunt: 'Je moet zwijgen als je niet helpen kunt. Niemand mag door zijn wanhoop de toestand van de patiënt verergeren. Daarom moet al mijn geschrijf vernietigd worden. Ik ben geen licht. Ik ben alleen tussen mijn eigen dorens verdwaald. Ik ben een doodlopende straat.'

Zonder Max Brod, die het werk voor de ondergang behoedde, zou Kafka nu anoniem onder zijn dorens liggen.