Het gouden lamabeeldje

Een geheime filmexpeditie naar Paititi, de legendarische schuilplaats van de Inca's. Het is net een jongensdroom.

Maria Dolores, de eigenares van ons vaste eethuisje in Cuzco, vraagt ons om na het eten nog even te wachten. Zodra de laatste gasten de deur uit zijn, neemt ze ons mee naar haar kantoortje. In het schemerlicht ontwaren we een mesties van een jaar of vijftig. Ze stelt hem voor als César Trujillo, de ontdekker van Paititi. Dat Paititi een legendarische schuilplaats van de Inca's is waar al eeuwenlang naar gezocht wordt, wisten we, maar dat het ontdekt zou zijn, is nieuw voor ons.

Dat komt omdat de regering het geheim houdt, zegt Maria Dolores. Toen het leger destijds lucht kreeg van Césars ontdekking (hij trok bij een val in een ravijn een stuk tempelmuur bloot) pikten ze een gouden lamabeeldje in; een van de bewijsstukken, die hij uit Paititi had meegenomen. César werd gedwongen een groepje hoge militairen naar de vindplaats te brengen. Hij leidde hen naar een plaats waar hij een paar stukken verborgen had. De buit viel natuurlijk zwaar tegen. Maar ze zijn niet gek. Tot op de dag van vandaag houden ze hem in de gaten.

César, die aan de pisco sour zit, stort zijn hart uit. Ook al is hij 'een halve indiaan', hij vindt dat hem minstens zoveel eer toekomt als Bingham, de ontdekker van Machu Picchu. Paititi is veel groter en oneindig veel rijker. Hij heeft met eigen ogen gezien hoe de plaatselijke machiquengas hun akkertjes bewerken met gouden Incavoorwerpen.

Dolores komt ter zake. Ze zijn bezig een geheime filmexpeditie naar Paititi op poten te zetten om te bewijzen dat deze verborgen schatkamer van de Inca's door niemand minder dan César Trujillo ontdekt is. Ze komen nog tienduizend dollar tekort.

We spreken af om de volgende dag bij elkaar te komen in de Urubamba-vallei, waar de vechthanen van Maria Dolores meedoen aan wedstrijden.

We zijn totaal overdonderd. Roem en rijkdom, het is te mooi om waar te zijn. Ik zie het helemaal voor me. Maar Gerarda laat zich niet zomaar meeslepen: 'Bekijk het eens van hún kant', zegt ze: 'Als ze per jaar tien toeristen strikken, halen ze tien keer tienduizend dollar binnen.' 'Waarom zóuden ze als ze op het punt staan om schat- en schatrijk te worden?' werp ik tegen.

Ze gaat slapen. Ik stort me op een masterplan. Marketing, media, sponsoring, exclusieve uitzendrechten, planning. Ik werk de hele nacht koortsachtig door. Ik kan amper wachten tot Gerarda wakker is. Nog maar nauwelijks ben ik begonnen met voorlezen of ze valt me in de rede: 'Ik heb gelezen dat de Inca's de machiquengas opdracht gaven iedereen te doden die in de buurt van Paititi komt.'

In Urubamba weet ik niet hoe snel ik Maria Dolores moet vertellen dat ik een even uniek als lucratief toeristisch project bedacht heb. Het is meteen duidelijk dat mevrouw dáár niet op zit te wachten. 'Eerst de hanen, dan de zaken', zegt ze pinnig.

De hanengevechten kunnen me niet boeien. Normaal zou het grof gokkende Peruaanse publiek dat de vechters ophitst en de vluchters uitmaakt voor lafbekken mij fascineren, maar nu heb ik alleen maar gloeiend de pest in.

Gerarda stelt voor een eind te gaan wandelen, zodat ik stoom kan afblazen. Op de Incatrail worden we ingehaald door een jonge snuiter. Hij loopt met ons op en praat honderduit. Hij wil naar een plek, waar alleen gelukkige mensen wonen, diep verscholen in het oerwoud achter het Titicacameer. 'En nu wil je zeker geld hebben om er naar toe te kunnen gaan?' veronderstel ik. De arme jongen is zichtbaar geschrokken: 'Oh nee, geen geld, ik wil alleen geluk.'

'Hoe kun je weten of je welkom bent?' vraagt Gerarda.

'Ze weten dat ik kom.'

Mijn vrouw glimlacht. Jongensdromen, daar weet ze alles van.