Europa moet op zijn tellen passen

Het voornemen in 2000 van Europese staatshoofden om de EU in 2010 tot de meest concurrerende kenniseconomie te maken is een lachertje gebleken, meent Fareed Zakaria.

In gesprekken met vooraanstaande wetenschappers en onderwijsdeskundigen over de toekomst van exact onderzoek wordt Europa zelden genoemd.

Terwijl spotprenten en rellen vorige week de Europese voorpagina's vulden, gebeurde er iets veel minder spectaculairs - de publicatie van een academische studie - dat weleens meer licht zou kunnen werpen op de toekomst van dit werelddeel.

De in Parijs gevestigde Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) bracht een rapport uit getiteld Going for growth, een diepgaand onderzoek over de economische vooruitzichten van de geïndustrialiseerde wereld. Het telt 160 pagina's en is geschreven in kleurloos, omzichtig geleerdenproza. Maar de conclusie liegt er niet om: Europa verkeert in grote problemen. We hebben het tegenwoordig over de opkomst van Azië en de problemen waar Amerika mee kampt, maar de economische neergang van Europa zou weleens de belangrijkste ontwikkeling van het komende decennium kunnen worden.

Vaak wordt gesteld dat het gezamenlijk bruto binnenlands product (bnp) van de Europese Unie ongeveer zo groot is als dat van de Verenigde Staten. Maar de EU telt 170 miljoen inwoners méér. Het bruto nationaal product per hoofd van de bevolking ligt er 25 procent lager dan in de VS. Belangrijker nog: die kloof is de afgelopen vijftien jaar maar groter geworden. Als de huidige ontwikkeling doorgaat, zo betoogt de hoogste econoom van de OESO, dan is over twintig jaar de doorsnee Amerikaan tweemaal zo rijk als de doorsnee Fransman of Duitser. (Groot-Brittannië is in dit soort zaken meestal een uitzondering: het ligt ergens tussen het Europese vasteland en de VS in.)

Er is wel beweerd dat de Europeanen nu eenmaal meer waarde hechten aan vrije tijd, en dat zij dus wel armer zijn, maar een hogere kwaliteit van leven hebben. Dat is allemaal mooi als je een salarisverlaging van tien procent voor lief neemt om langere lunchpauzes en vakanties te kunnen nemen. Maar als je nog maar de helft verdient van wat in Amerika gebruikelijk is, zal dat nadelige gevolgen hebben voor de gezondheidszorg en het onderwijs, de toegang tot allerlei goederen en diensten, en de kwaliteit van het leven überhaupt. Twee Zweedse onderzoekers, Frederik Bergstrom en Robert Gidehag, hebben in een vorig jaar gepubliceerde monografie geconcludeerd dat '40 procent van de Zweedse huishoudens in de VS als huishoudens met een laag inkomen zouden gelden'. In veel Europese landen zou dat percentage nog hoger zijn.

In maart 2000 hebben de staatshoofden van de EU afgesproken om de EU 'uiterlijk in 2010 tot de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie' te maken. Dat lijkt nu een lachertje. Het OESO-rapport neemt de stand van zaken land voor land door, en alle grote economieën van het vasteland staan er niet goed voor. Telkens wanneer een politicus heel voorzichtig een aarzelende poging tot hervorming doet, leggen stakingen en demonstraties het land plat.

De afgelopen maanden zijn hervormers als Nicolas Sarkozy in Frankrijk, José Manuel Barroso in Brussel en Angela Merkel in Duitsland teruggekomen van hun voorstellen, die zij hebben vervangen door vrome praat over de noodzaak om de globalisering te 'managen'. Het streven van Peter Mandelson, de handelscommissaris van de Europese Unie, naar meer vrijhandel is systematisch ondermijnd. Als gevolg van de onwil van de EU om haar torenhoge landbouwsubsidies te verlagen is de Doha-ronde over handelsexpansie morsdood.

Op sommige terreinen, maar minder dan vroeger, behoort Europa wel tot de top. Maar in de biomedische wetenschappen bijvoorbeeld telt Europa niet mee. De president-directeur van een grote farmaceutische onderneming zei me dat over tien jaar in zijn bedrijfstak de Verenigde Staten, China en India de dienst zullen uitmaken.

En dan heb ik de bevolkingsontwikkeling nog niet genoemd. In de komende 25 jaar zal de Europese beroepsbevolking afnemen met 7 procent, terwijl het aantal mensen boven de 65 stijgt met 50 procent.

Een mogelijke oplossing is om ouderen aan het werk te zetten. Maar Europa telt maar weinig werknemers boven de 60: 7 procent in Frankrijk en 12 procent in Duitsland (tegen 27 procent in de VS). Bescheiden pogingen om de pensioenleeftijd te verhogen zijn gestuit op een stortvloed van protesten. En het herhaalde advies van economen en de Europese Commissie om de werkende bevolking te vergroten door meer immigranten toe te laten, wordt niet opgevolgd. De controverse over de spotprenten heeft met kracht duidelijk gemaakt hoeveel problemen Europa nu al met zijn immigranten heeft.

Per saldo betekent dit alles minder Europese invloed in de wereld. De positie van Europa in instanties als de Wereldbank en het IMF hangt samen met zijn aandeel in het mondiale productie.

Doordat het steeds minder uitgeeft voor defensie kan het steeds minder goed functioneren als militaire partner van de Verenigde Staten, of zelfs maar de militaire kracht opbrengen voor vredesmissies in het buitenland. Door zijn benepen, meer en meer protectionistische visie zal zijn vitaliteit nog verder worden ondermijnd.

De neergang van Europa brengt met zich mee dat Amerika langer een supermacht blijft. Denk aan de dollar: jarenlang is beweerd dat die sterk zou devalueren doordat landen hun spaartegoeden zouden gaan spreiden.

Maar bij nadere beschouwing bleken de voornaamste alternatieven, de euro en de yen, te steunen op structureel zwakke economieën. En zo is men tegen heug en meug bij de dollar gebleven.

De ontwikkelingen op andere terreinen zijn vergelijkbaar, want je kunt immers niet iets verslaan met niets.

Fareed Zakaria is columnist van Newsweek.

© Newsweek