Nederlandse Muziekdagen met een mager en contrastrijk programma

In het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg vond dit weekeinde de vijftiende editie van de Nederlandse Muziekdagen plaats. Als gevolg van bezuinigingen op alle fronten werd in feite een mager tweedaags programma over drie dagen uitgesmeerd. Omdat er bovendien geen centrale festivalprogrammeur meer is, ontstond een erg verwaterd geheel met soms schrille contrasten.

Het Amstel Saxofoon Kwartet opende vrijdag in de Kleine Zaal met onder meer een nieuw werk van Roderik de Man, Catch (2004). Uitdijende combinaties van lange, verstilde lijnen worden met kriskras door elkaar krioelende brokken afgewisseld. Het stuk deelt een verhalend karakter met Tristan Keuris' meesterlijke Saxofoonkwartet (1970), dat afwisselend warm en spetterend fel klonk.

Het fors bezette Radio Filharmonisch Orkest speelde onder Hans Leenders óók Keuris, maar een veel latere, minder modernistische. Keuris schreef Arcade, 'six more preludes for orchestra' in 1995, een jaar voor hij - vijftig jaar jong - overleed. Prachtig transparant klonk het werk in de handen van Leenders, romantisch van orkestratie en dynamiek.

Hanna Kulenty's associatief verlopende Pianoconcert nr. 3 klonk onheilspellend. Een massieve, gonzende orkestklank wekte associaties met de spectrale muziek van bijvoorbeeld Grisey. Met de pianopartij kunnen solisten moeilijk de blits maken, maar Frank Peters overtuigde wel door onverschrokken en exact spel.

Van Peter-Jan Wagemans, tevens 'adviseur' van deze Nederlandse Muziekdagen, klonk de Zevende symfonie (1998/9). Net als de titel bestaat de muziek uit allerlei (stijl)referenties à la Zimmermann. Veel imposante momenten ten spijt, straalt het overstelpend symfonische hier vooral ook iets uit van vergane glorie. De eindeloos schel tingelende belletjes van het openingsdeel 'Über'm Sternenzelt' (de titel komt uit Schillers Ode an die Freude), zorgen meteen al voor auditieve oververzadiging, en daarna blíjft het orkest maar uit zijn voegen barsten om te overrompelen.

Een krasse overgang was het aansluitende concert in de Kleine Zaal, waar het blaastrio De Jongens Driest nog een wervelende set speelde. Té kras, voor veel luisteraars. Voorman/trombonist Joop van der Linden kon zijn ergernis over de lege en leeglopende zaal niet verkroppen, en dat was jammer. De wél aanwezigen genoten immers volop van de constant groovende sousafoon-baslijnen van Arno Bakker, waarboven Van der Linden en sopraansaxofonist Janfie van Strien melodieën uit alle windstreken weefden, met een sterke voorkeur voor complexe Balkanritmes.

De zondag bracht de finale van de Henriëtte Bosmansprijs, een compositieprijs voor jonge, in Nederland werkzame componisten. Uit de inzendingen selecteerde de jury drie onvergelijkbare, maar alle wat middelmatige werken. Fred Momotenko schreef een blaaskwintet met een polyfonie van lange, droevige lijnen en veel theatrale zuchtgeluiden en plotselinge verstarringen.

Mayke Nas haalde Anton Weberns Bagatelle II, opus 9 (1913) voor strijkkwartet wat gemakkelijk door de gimmickmachine: een keer helemaal pizzicato, een keer op zijn kop, enzovoorts. Cage-achtig leuk was de variatie zonder instrumenten (en dus zonder geluid), maar mét de exacte speelbewegingen.

Prijswinnaar Sadik Durmus, geboren Turk, schreef een keurig conservatoriumstuk dat in klank en structuur aan Boulez deed denken. Geschreeuwde kreten van de musici versterkten de dramatiek. Opbouw en klank waren goed in balans. Het stuk won terecht, maar wel bij gebrek aan gelijkwaardige concurrentie.

Sterker klonk de première van Serenade for Gustav and Arnold van jurylid Maarten van Norden. Het werk heeft een grote coherentie, vooral op tonaal vlak, met subtiel verschuivende klankvoorraden. Soms lijkt het wel wat richtingloos, maar zo sloot het de Muziekdagen als geheel passend af.

Concert: 15de Nederlandse Muziekdagen. Gehoord: 10, 12/2 Vredenburg Utrecht.