Krimpende natie

Een batig saldo van nog geen dertigduizend mensen stond er per 1 januari 2006 op de Nederlandse bevolkingsbalans. Om precies te zijn nam het aantal inwoners in ons land vorig jaar met slechts 29.983 toe. Voor het eerst daalde de bevolking in meer provincies tegelijk, waarmee vermoedelijk een trend voor de komende decennia werd ingezet: die van de krimpende natie. In Zuid-Holland, Groningen, Friesland en Limburg nam de bevolking volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) af. Daling van het aantal geboortes, stijgende emigratie en afnemende immigratie zijn de belangrijkste oorzaken. Dat is wel even wennen na zo'n lange periode van groei.

De gevolgen van de bevolkingsafname verdienen meer aandacht dan ze nu krijgen. Volgens het CBS voltrok de sterkste daling zich vorig jaar in Rotterdam (-8.000 mensen). Natuurlijk is er de eeuwige trek naar de buurgemeenten, maar die verklaart niet alles. Wat betekent een sterk afnemend inwonertal voor een stad? De landelijke politiek gebruikt de Maasstad graag als voorbeeld voor wat elders te gebeuren staat. Demografische trends kunnen daar nu aan worden toegevoegd. De Rotterdamse bevolking is echter relatief jong. De problemen ontstaan waar vergrijzing en geboortedaling elkaar raken.

De belangrijkste vraag is of het erg is dat de bevolking afneemt. Economisch gezien hoeft het geen ramp te zijn. De scheidend directeur van het Centraal Planbureau, Henk Don, wees er vorig week in een interview in deze krant op dat een dalende bevolking de druk wegneemt op schaarse goederen, op het milieu en de ruimtelijke ordening. De welvaart per inwoner hoeft niet automatisch af te nemen. Dat is een mooie nuancering voor verontruste politici. Maar bij ongewijzigd beleid levert de vergrijzing wel degelijk moeilijkheden op, vooral op het gebied van de verdeling van arbeid. Meer ouderen 'in de ruststand' versus steeds minder werkende jongeren.

Dat gaat op den duur wringen. Daarom is het belangrijk dat ouderen ook na hun zestigste blijven werken. De arbeidsdeelname van 60-plussers zal omhoog moeten, net als de pensioenleeftijd van 65 jaar. Dit ligt politiek en maatschappelijk gevoelig. Bij een afnemende bevolking heeft de staat echter weinig keus. Een volgend kabinet zal dan ook serieus werk moeten maken van de demografische ontwikkelingen en hun gevolgen. Een schrale troost is dat bevolkingsafname een Europees verschijnsel begint te worden. Veel lidstaten van de Europese Unie denken na over of bereiden zich voor op maatregelen als verhoging van de AOW-leeftijd.

Hiermee is niet alles gezegd. Als de bevolking van een land te snel daalt, en als dat algemeen als een probleem wordt ervaren - economisch, maatschappelijk of moreel - zal de natie allereerst voor meer kinderen moeten zorgen. Dit raakt de vrijheid van het individu. De staat dient zich daar verre van te houden, maar moet wel helpen bij het scheppen van voorwaarden voor jonge gezinnen: goede, betaalbare woningen, opvang gedurende de hele periode dat kinderen naar school gaan, transport van en naar school en eventueel premies zetten op meer kinderen krijgen.