Cito-toets kwelt kinderen...

Kinderen met een onderwijsachterstand moeten niet verplicht de Cito-toets maken. Dan voelen ze zich alleen maar onnodig dom, meentAllan Varkevisser.

Afgelopen vrijdag kondigde Maria van der Hoeven, minister van Onderwijs, op het Radio1-journaal aan dat zij de inspectie onderzoek wil laten doen naar de mate waarin basisscholen leerlingen bewust niet laten meedoen aan de Cito-eindtoets. Scholen zouden hun gemiddelde score positief willen beïnvloeden door de zwakkere leerlingen niet mee te laten doen. Dit is een onterechte verdachtmaking aan het adres van de scholen.

Ten eerste hebben alle scholen een leerlingvolgsysteem, eveneens meestal ontwikkeld door het Cito, waarin op basis van toetsing (zo'n twee keer per jaar) de school de vorderingen van hun leerlingen volgen. De inspectie ziet hierop toe en weet precies van alle scholen wat zij aan leerlingvolgsystemen hebben en hoe nauwgezet zij dit toepassen. Het is namelijk een van de criteria waarop scholen worden beoordeeld. Geen enkel kind wordt dus onttrokken aan enige vorm van toetsing.

Op basis van dit volgsysteem kan worden voorspeld wat het geschikte niveau van vervolgonderwijs moet worden dat bij een kind past. Mede daarom hoeven niet alle kinderen mee te doen aan de Cito-eindtoets. Maar wat is er op tegen om kinderen mee te laten doen aan de eindtoets?

Veel. Ten eerste is de toets voor sommige kinderen een ware kwelling. Ik denk dan aan kinderen voor wie meer dan 50 procent van de opgaven niet maakbaar zijn. Zij moeten zich buigen over opgaven die, gegeven de onderwijsachterstand die ze hebben opgelopen, voor hen onoplosbaar zijn. Dan voel je je pas dom! In een schoolsysteem waarin adaptief onderwijs centraal staat, past geen uniforme Cito-toets voor alle kinderen.

Ten tweede heeft een leerkracht allang bepaald welke vorm van vervolgonderwijs voor dit kind het meest geschikt is. Maar nu maakt dit kind de toets zo slecht, dat de eindscore veel lager uitkomt dan het werkelijke niveau van het kind. Bij de verwijzing naar het voortgezet onderwijs wordt de score opgenomen in het dossier en gaat een eigen leven leiden. Bij het voortgezet onderwijs begint men vervolgens te twijfelen of het kind wel geschikt is voor de beoogde vorm van onderwijs. Men legt het advies van de leerkracht naast zich neer, neemt de Cito-toets als uitgangspunt en gaat de leerling opnieuw onderwerpen aan een serie toetsen om het niveau van het kind te bepalen. Denkt iemand zich wel eens in hoe zo'n kind zich dan voelt?

Met een schriftelijke toets kan niet alles gemeten worden. Want hoe zit het met de mate van zelfstandig werken van kinderen, de sociaal-emotionele weerbaarheid en de zelfkennis? Allemaal vaardigheden en eigenschappen van kinderen die we in onze samenleving heel belangrijk vinden, waaraan binnen school ook hard gewerkt wordt, maar die niet te meten zijn met een toets.

Ten slotte bewijst de minister ook de leerkrachten en hun ouders een slechte dienst door zo zwaar in te zetten op het belang van het meedoen van alle kinderen aan de Cito-eindtoets. Leerkrachten voelen zich miskend omdat het oordeel van een gestandaardiseerde toets zwaarder telt dan hun inzicht. En ouders worden misleid omdat zij omwille van 'de zogenaamde objectieve meetbaarheid' zich blind moeten staren op een Cito-score die de mogelijke schoolkeuze van vervolgonderwijs van hun kind meer en meer gaat bepalen. Ik hoop dat de Kamerleden de minister nog tot inkeer kunnen brengen zodat haar inspectiewaakhonden niet onnodig op de basisscholen worden losgelaten.

Allan Varkevisser is leerkracht op de christelijke basisschool Rengersborg te Farmsum.