Wat je niet ziet

De aanhoudende discussie over de islam in Nederland wordt gevoerd door twee groepen die in wezen hetzelfde zeggen - maar dan anders. De eerste groep heeft zich vastgebeten in de dreiging van de radicale islam, en laat niet af ons in columns, ingezonden stukken en televisieoptredens in steeds dezelfde bewoordingen te waarschuwen tegen wat zij het islamofascisme noemt, een even achterlijke als perfide ideologie, die het op onze westerse vrijheden heeft gemunt. Om misverstanden te voorkomen, voegen ze er tegenwoordig plichtmatig aan toe, dat er natuurlijk ook gematigde moslims zijn, die de koran niet zo letterlijk nemen.

De andere partij in de discussie legt de nadruk juist op gematigde moslims. Dat zijn migranten met hun kinderen die een bestaan in Nederland willen opbouwen, ze kampen met allerlei sociaal-culturele problemen, dus gun ze het houvast van hun godsdienst. In het verleden hebben zoveel Nederlandse Surinamers in sociaal moeilijke tijden hun heil bij winti en Jezus gezocht, en daar hoor je nooit iets over - dus gun die meiden hun assertieve hoofddoekjes. Iedere minderheid zoekt symbolen om zich te onderscheiden. Wat minister Verdonk en haar aanhangers onder integratie verstaan, zeggen ze, begint akelig veel op een vorm van dwangverpleging te lijken. Dat is vragen om moeilijkheden. En de confronterende inspanningen van Ayaan Hirsi Ali hebben het aantal hoofddoekjes in Nederland vermeerderd in plaats van verminderd - als al die Nederlandse verlichtingsadepten in plaats van filosofisch eens wat meer psychologisch inzicht hadden gehad! Natuurlijk zijn er ook moslimradicalen, luidt de voetnoot van deze partij, en die moeten we aanpakken. Maar we moeten wel zorgen dat we de gematigde meerderheid niet hun kant opdrijven. De grootste vijand van deze groep is niet het islamofascisme, maar de islamofobie.

Zo groot zijn de verschillen in analyse dus helemaal niet: er is de islam in Nederland, gematigde moslims moeten in staat worden gesteld hier een gelukkig bestaan op te bouwen, met behoud van godsdienst en vooruit, ook met een hoofddoekje als het per se moet (maar niet in openbare functies). Zolang iedereen zich aan de wet houdt, is er niets aan de hand. Radicale moslims moeten met alle toegelaten middelen bestreden worden - en als die middelen niet toereikend zijn, dan laten we er nog een paar meer toe. Maar islamofobie is ook verderfelijk.

Zijn er mensen die het hier niet mee eens zijn? Aan de fringe van deze twee groepen bevinden zich de twee uitersten: aan de ene kant de verstokte softe multiculturisten, die zich enkel een wereld van louter slachtoffers kunnen voorstellen, en helemaal aan de andere kant de paranoïde moslimhaters, die zich alleen een wereld van daders kunnen voorstellen; tot en met het argeloze meisje achter de toonbank van de apotheek waar de oer-Hollandse schrijver Wessel te Gussinklo zijn medicijnen haalt. Hij beschrijft haar als een vertegenwoordiger van 'een dreigende, onverdraagzame en duistere wereld', die 'daar met inzet van getuigt.'

Sinds jaar en dag wordt er geroepen dat Nederlandse schrijvers zich meer met de maatschappij zouden moeten bemoeien - ik zou zeggen: niet aanmoedigen.

En de Nederlandse moslims? Het aanhoudende debat over hun aanwezigheid wordt nog altijd vooral over hun hoofden heen gevoerd. Over het algemeen vertonen ze het typische gedrag van de zich belegerd voelende minderheid: binnenshuis is er volop kritiek, naar buiten toe is men vooral defensief. In het dagelijkse leven kom je vaak genoeg jonge Marokkaanse Nederlanders tegen die zich doodergeren aan de nieuwe vromen met hun vlassige baarden, die vroeger coke snuivend achter de meiden aan zaten en nu hun verwesterde geloofsgenoten de les lezen omdat ze niet genoeg zouden bidden. Maar in ontelbare debatten en fora over hoe nu verder, hoor je zulke geluiden niet vaak en heet de gemeenschappelijke vijand weer gewoon islamofobie.

En zo worden alle deelnemers aan het debat in Nederland achtervolgd door hun eigen, dreigende schaduw: de moedige strijders tegen het islamofascisme weigeren te erkennen dat ze misschien wel moslimhaat aanwakkeren, de strijders tegen de islamofobie lukt het maar niet te beseffen dat achter sommige vrome woorden nietsontziende bedoelingen schuilgaan, en veel moslims poetsen hun angst om het eigen nest te bevuilen weg door te wijzen op stigmatisering door autochtone Nederlanders.

Algemeen is vastgesteld dat de internationale hysterie over de Deense cartoons van de profeet Mohammed grotendeels aan ons land voorbij is gegaan. De argumenten worden keurig uitgespeeld, er zijn boze moslims die zich beledigd voelen en er zijn boze Nederlanders die vinden dat moslims moeten leren leven met beledigingen. Er wordt veel verwezen naar de Rushdie-affaire, toen het Westen een veel krachtiger geluid tegen fanatici liet horen.

Er wordt, vreemd genoeg, niet verwezen naar de Fassbinder-affaire, die een jaar aan de Rushdie affaire voorafging. Toen, in 1988, probeerde een groep beledigde joodse Nederlanders een toneelstuk te laten verbieden, omdat het zou aanzetten tot rassenhaat. Dat stuk werd uiteindelijk van de planken gehaald, niet omdat het antisemitisch was, maar uit angst voor onlusten. Later, toen de boel tot bedaren was gekomen, gaven enkele actievoerders toe dat hun woede vooral ook bindmiddel was geweest; naarmate de holocaust meer en meer geschiedenis dreigde te worden, leek de joodse identiteit te verflauwen. B.Friedberg, lid van het actiecomité 'Alle Cohens aan dek', stelde naderhand vast dat aan de vergrijzing van de joodse gemeenschap een einde was gekomen. 'Men verkeerde op een doodlopende weg. () Het protest tegen Fassbinder werkte als een katalysator om dat te doorbreken.'

Belangrijker dan wat je ziet, is wat je niet ziet. De woede over de Deense cartoons is internationaal door islamisten aangegrepen om de moslimidentiteit te versterken in een tijd dat steeds meer moslims zich lijken te af te keren van de radicalen met hun nihilistische zelfmoordideologie. Dat die strategie in ons land niet heeft gewerkt, kan twee dingen betekenen: dat veel Nederlandse moslims precies dat zijn, Nederlandse moslims, en zich niet laten opnaaien door zoiets idioots als een Deense spotprent - óf dat bij velen van hen dedesillusie met de Nederlandse samenleving zo groot is, dat men zich niet eens meer geroepen voelt om boos de straat op te gaan om de eigen identiteit te bevestigen.

Ik hoop het eerste, ik vrees het laatste.