Tussen stam en staat

Hoe ontstonden in de prehistorie complexe maatschappijen uit losse stamverbanden? Niet volgens een vast stramien, ontdekten antropologen.

Dirk Vlasblom

Het is een vraag die al eeuwen tot de verbeelding spreekt. Hoe ontwikkelden menselijke samenlevingen zich in de loop van duizenden jaren van kleinschalig en eenvoudig tot grootschalig en complex? Moderne theorieën over culturele evolutie hebben afstand genomen van het simpele negentiende-eeuwse schema band (zwerfgroep van jagers en verzamelaars) - stam - chiefdom - staat. Deze unilineaire opvatting - alle maatschappijen doorlopen dezelfde stadia, zij het in verschillend tempo - is verdrongen door multilineaire theorieën, die uitgaan van verschillende ontwikkelingstrajecten.

De antropologen Robert D. Drennan en Christian E. Peterson van de universiteit van Pittsburg hebben de culturele evolutietheorie nu verder verfijnd. Zij vergeleken drie streken waar tussen 7.000 en 1.000 jaar geleden onafhankelijk van elkaar groepen dorpen ontstonden, die werden bijeengehouden door ruil, machtsuitoefening en gezamenlijke rituelen (Proceedings of the National Academy of Sciences, 6 februari). Ze vonden heel verschillende structuren en ontwikkelingspatronen.

Er is belangstelling voor deze vroege complexe maatschappijen, waarvan de oudste ontstonden kort na het begin van sedentaire landbouw, omdat zij worden beschouwd als de schakel tussen stamverband en staat. In dit samenlevingstype zijn door arbeidsverdeling en specialisatie statusverschillen ontstaan, die tot uitdrukking komen in supralokale hiërarchieën. Sinds de negentiende eeuw noemen antropologen dit chiefdoms, een term die verwijst naar regionaal gecentraliseerd gezag.

De onderzoekers uit Pittsburg kozen prehistorische chiefdoms in de Vallei van Oaxaca, Mexico; Alto Magdalena in Colombia en Chifeng in het noordoosten van China. In deze gebieden is intensief archeologisch onderzoek gedaan. De door mensenhand aangebrachte ruimtelijke ordening van deze landschappen is in kaart gebracht en de ceremoniële en gebruiksvoorwerpen die er zijn gevonden zijn nauwkeurig gedateerd. Aan de hand daarvan hebben Drennan en Peterson ontstaan en structuur van de chiefdoms gereconstrueerd.

Daarbijhebben ze gelet op het vestigingspatroon (dorpsgrootte, dorpsdichtheid en concentratie), de mate van specialisatie (variatie van werktuigen binnen of tussen dorpen), sociale ongelijkheid (oppervlakte van woningen, aantallen statusgebonden voorwerpen), centralisering en toegankelijkheid van ceremoniële constructies (offerplatforms, graftombes, tempels) en de aard van de integratie tussen dorpen (economisch of ceremonieel). De auteurs stellen vast dat chiefdoms in de drie onderzochte gebieden het resultaat waren van uiteenlopende integratieprocessen: ver ontwikkelde specialisatie en dito statusverschillen in Oaxaca; een combinatie van beperkte specialisatie en gecentraliseerd ceremonieel in Gifeng; en puur ceremoniële interactie zonder dorpsvorming in Alto Magdalena.

De Vallei van Oaxaca was tot 500 v.C. dun bevolkt. Er lagen zo'n 65 dorpen met gemiddeld vijftig inwoners, wier hutten van tenen en leem niet ver van elkaar stonden. Slechts één dorp, door archeologen San José Mogote gedoopt, had meer dan vijfhonderdinwoners. De meeste dorpelingen verbouwden maïs voor eigen gebruik, maar er waren ook gespecialiseerde ambachtslieden. In de dorpen bestond sociale ongelijkheid. Een enkel huishouden beschikte over veel rijk gedecoreerde schalen en andere versierd aardewerk. Ambachtshuishoudens waren wat welvarender dan die van gewone boeren. Huishoudens met een hoge status woonden in de loop der eeuwen steeds in dezelfde delen van het dorp, wat wijst op erfelijke posities. San José Mogote had zelfs een uitgestrekte elitewijk. Dit centrale dorp kende meer ambachten dan de andere en alleen hier stonden ceremoniële bouwwerken (eerst platforms, later tempels). De economische en ceremoniële functies en de concentratie van vooraanstaande families in San José Mogote zorgden voor onderschikking van de omliggende dorpen aan dit centrum van het chiefdom.

dicht bevolkt

Gedurende de eerste negen eeuwen van de huidige jaartelling was het dal van de Alto Magadalena in de Andes van Zuid-Colombia dicht bevolkt. Het gebied telde vier chiefdoms, gegroepeerd rond grafmonumenten voor vooraanstaande personen. Die werden afgebeeld in steen en deze beelden hebben zowel menselijke als dierlijke trekken, wat wijst op sjamanisme. De sociale hiërarchie in het dal, schrijven Drennan en Peterson, was niet van economische, maar van spirituele aard. In dit gebied zijn veel minder per huishouden verschillende gebruiksvoorwerpen gevonden dan in Oaxaca. Uitblijvende specialisatie betekende minder interactie en een versnipperd vestigingspatroon, zonder dorpsvorming. Regionale integratie was niet het gevolg van ruil, maar van gezamenlijke rituelen.

In de streek Chifeng in Noord-Oost-China verrezen in het vierde millennium v. C. tientallen dorpen, die onderling nauwelijks afweken in grootte en waarvan de huizen vrij ver uit elkaar stonden. De stenen werktuigen wijzen op een vorm van specialisatie, maar niet zo ver gevorderd als in Oaxaca. De relatief geringe onderlinge afhankelijkheid verklaart volgens de onderzoekers de verspreide bewoning. Er bestaan enige welstands- en statusverschillen binnen dorpen, maar nauwelijks tussen dorpen. De gehuchten zijn gegroepeerd rond twaalf iets grotere centra met ceremoniële platforms, omringd door stenen graftombes. Daarin zijn geen gebruiksvoorwerpen aangetroffen, zoals in de meeste andere graven, maar offerandes van jade. Hier lagen kennelijk personen begraven aan wie bovennatuurlijke krachten werden toegeschreven, zoals sjamanen of hoofden.

Drennan en Peterson laten zien dat het ontstaan van vroege complexe maatschappijen heel verschillende routes volgde, die leidden naar heel uiteenlopende configuraties. De relatie tussen deze scenario's en latere staatsvorming blijft overigens onbesproken. Alleen in de Vallei van Oaxaca is continuïteit aantoonbaar tussen chiefdom en staat. We weten dat rond het jaar 450 v. C. zo'n tweeduizend inwoners van San José Mogote en zijn satellietdorpen op zoek gingen naar een locatie die beter te verdedigen was tegen aanvallen van buiten en verhuisden naar een naburige berg: Monte Alban. Zij bouwden een drie kilometer lange muur en daarbinnen groeide Monte Alban, de hoofdstad van het rijk der Zapoteken. De chiefdoms van Alto Magdalena en Chifeng werden later opgenomen in rijken die elders hun oorsprong hadden.