Op de puinhopen van D66 kan nog iets moois bloeien

De laatste jaren heb ik met stijgende verbazing en groot ongenoegen het gedoe van D66 gevolgd. De kraamkamer van D66 was gevestigd in mijn huis in Amsterdam. Aan de wieg gestaan hebbende, bleef de verbondenheid met de partij als ware het mijn petekind.

Als er verkiezingen waren, bleef ik dan ook op D66 stemmen, al was het niet altijd van harte. Steeds met de hoop en verwachting dat de partij zich de redenen van haar ontstaan zou blijven herinneren en de in het Appèl verwoorde aspiraties zou blijven koesteren. Groot was mijn teleurstelling in 1977 toen de partij besloot om door te regeren in het zogenaamde rompkabinet-Van Agt. Helaas werd toen duidelijk dat overleving van de partij en behoud van verkregen posities de politieke strategie gingen bepalen. Als oppositiepartij in de jaren daarna kwam dat tot uiting in de keuze van de verkiezingsissues waarvoor dikwijls opportunistisch werd teruggegrepen op programmapunten uit de beginperiode. De volgende deceptie was de toetreding tot het kabinet-Balkenende II, gevolgd door het Paasakkoord. Dezer dagen speelt dan de kwestie van de uitzending van militairen naar Afghanistan. Ik kon me goed vinden in het standpunt dat D66 aanvankelijk innam, niet alleen inhoudelijk maar juist ook met de daaraan verbonden consequenties. Het kabinet besluit tot uitzending, de fractie stemt tegen maar blijft het kabinet steunen, de ministers blijven zitten. Voor mij heeft D66 haar geloofwaardigheid verloren. Aan de deelnemers van het Congres van D66, dat naar aanleiding van deze gebeurtenissen zal moeten worden bijeengeroepen, vraag ik: bespaar mij en naar ik aanneem vele van de nog in leven zijnde leden en sympathisanten van het eerste uur, verdere teleurstellingen en ergernissen, besluit dat het zo genoeg is geweest, hef de partij op.

Wie weet bloeit er op de puinhopen iets moois op.