Joodser dan de paus

'Het verlangen joods te zijn' heeft de katholieke schrijfster Carl Friedman in haar greep, schrijft Joost Zwagerman

Vorige week noemde Corine Vloet hem op deze plek al: James Frey. Jarenlang was Frey verslaafd aan drank en drugs. Dat zijn er meer. Maar Frey schreef enerverende memoires, getiteld A Million Little Pieces.Hij haalde er de tv-show van Oprah Winfrey mee. Oprahs bewondering voor de memoires joegen de verkoop in één keer op tot doldrieste hoogten. Van A Million Little Pieces werden meer dan drie miljoen exemplaren verkocht.

Maar. De memoires bleken geen memoires. Frey had op verscheidene plaatsen gefabuleerd. Niets aan de hand, als er maar roman op het omslag had gestaan. Maar Frey had benadrukt dat geen zin in zijn boek fictie was. Toen zijn verzinsels aan het licht waren gekomen, verscheen Frey opnieuw bij Winfrey die hem deze keer onderwierp aan een kruisverhoor. Deze week maakte Frey zijn excuses. Hij was tijdens het schrijven feit en fictie uit het oog verloren.

James Frey maakte in zijn boek alles mooier door alles erger te maken. In de verte doet deze geschiedenis denken aan het gefabuleerde levensverhaal van wijlen Boudewijn Büch. In interviews benadrukte Büch jarenlang dat zijn boeken over een op jonge leeftijd overleden zoontje autobiografisch waren - ook hijzelf had een jong kind verloren. Na Büchs dood bleek het joch niet alleen springlevend maar ook nog eens niet de zoon van Büch. Het was maar één van de vele luchtkastelen die Büch rondom zijn leven en werk had opgetrokken. Sindsdien voeren kandidaat-biografen en andere Büchologen een verhitte discussie. Over één aspect zijn zij het eens: Büch leed aan pseudologia fantastica.

Wie hieraan lijdt, gelooft in de verzinsels die hij verspreidt, hoewel er in een hoek van het hoofd van de fabulant vrij vaak het pijnlijke besef blijft bestaan dat het wel degelijk allemaal kul en klets is wat hij verkondigt. Maar de leugenaar metselt die hoek helemaal dicht.

De lijder aan pseudologia fantastica is bang niet interessant te worden gevonden en annexeert daarom bloedstollend interessante beproevingen. Slachtofferschap en groot lijden zijn erg aantrekkelijk, vooral als dit lijden manmoedig wordt doorstaan.

Boudewijn Büch verzon een dood kind, Carl Friedman een joodse identiteit. Maar waar Büchs verzinsels uitgebreid worden bediscussieerd, heerst over de geleende identiteit van Friedman een bijna plaatsvervangend beschaamd stilzwijgen.

Alleen Pam Emmerik en Jessica Durlacher waagden het erover te schrijven. Emmerik permitteerde zich een niet onaardige typering: joodser dan de paus. Wie Friedmans columns volgde, weet dat de columniste zich inzake joodse kwesties ongemeen fanatiek opstelde. Het was het fanatisme van de bekeerling die nooit de bekering heeft opgebiecht, naar nu blijkt.

Sinds de publicatie van haar debuut Tralievader werd algemeen aangenomen dat Friedman net als haar personages een joodse achtergrond heeft. In binnen- en buitenland is zij altijd omschreven als kind van een slachtoffer van de jodenvervolging. Haar Duitse uitgever introduceerde Friedman als een joodse auteur. In de VS staat een verhaal van Friedman in een bundel van joodse schrijvers die de Holocaust hebben overleefd.

Met subsidie van het Nederlands Literair Produktie- en Vertalingenfonds sprak Friedman samen met Holocaust-overlevende G.l. Durlacher in Amerika op een congres over de jodenvervolging. Net als Durlacher had ook een schrijfster als Marga Minco ­net als iedereen- altijd verondersteld dat Friedman uit een joods-getraumatiseerd gezin kwam.

De feiten zijn anders. Carl Friedman heet in werkelijkheid Carolina Klop en komt uit een katholiek gezin uit Brabant. Vader noch moeder waren joods.In de oorlog zat haar vader Egbert Klop in het verzet. Vlak voor de bevrijding werd hij opgepakt en door de Duitsers vastgezet in het kamp Sachsenhausen, geen vernietigingskamp maar een werkkamp waar circa honderdduizend slachtoffers zijn gevallen. Na de oorlog kwam Egbert Klop uit het kamp. Nadat een onderzoeksjournalist in het Algemeen Dagblad haar katholieke herkomst had beschreven, wees Friedman op een joodse grootmoeder. Ook dit bleek onjuist. Een zoon van Klop, Friedmans broer, bevestigde de feiten in het artikel in het Algemeen Dagblad. Deze broer zei uit piëteit met zijn zus altijd te hebben gezwegen.

Piëteit lijkt me inderdaad gepast. Alles wijst er op dat Friedman in de greep is van wat wel heet 'het verlangen joods te zijn'. Onder die titel verscheen van David J. Wolpe een boekje waarin onder meer melding wordt gemaakt van het soms pathologische verlangen onder niet-joden naar een joodse identiteit. In algemene termen over pseudologia fantastica heet het dan dat Carolina Klop kennelijk een innerlijke leegte ervoer die moest worden opgevuld met een fictieve identiteit waarmee zij zich sterk identificeerde.

Door de jaren heen wordt het natuurlijk steeds moeilijker om die identiteit vervolgens weer af te leggen. Toch moet er vanaf 1991, het jaar van haar debuut Tralievader, iets hebben geknaagd telkens wanneer Friedman zichzelf in allerlei publicaties, tot op de flaptekst van vertaalde boeken aan toe, omschreven zag worden als joodse schrijfster en kind van een vader die heeft geleden onder de jodenvervolging. Bijna vijftien jaar lang heeft Friedman de kans gehad om het misverstand over haar achtergrond op te helderen. Ze heeft het niet gedaan.

Nog niet zo lang geleden schreef Ramsey Nasr in deze krant een artikel over de Israëlische bezetting. In dat artikel polemiseerde Nasr onder meer met Friedman. Hij zei dat hij, vanwege haar achtergrond,begrip had voor Friedmans standpunt. Friedman antwoordde ongehoord fel op dat artikel - maar liet ook deze keer die door Nasr veronderstelde joodse achtergrond onweersproken.

Hoe houd je zoiets vijftien jaar vol? En, essentiëler: waaróm wil je zoiets volhouden?'Het verlangen joods te zijn' is bij Friedman blijkbaar zó sterk dat een katholiek meisje uit Brabant er een geduchte zelfontkenning voor over heeft. Dat katholieke meisje moet dan niet gek staan te kijken als degenen die wél feitelijk hebben geleden onder de jodenvervolging zo hun gedachten hebben over dat verlangen. Friedman zou misschien een voorbeeld kunnen nemen aan James Frey, die tenminste opening van zaken heeft gegeven zonder de portée en de intrinsieke kwaliteiten van zijn boek te verloochenen - want dat is wel het meest tragisch aan die zelfontkenning: Friedman veronderstelt waarschijnlijk dat haar fictie de geleende identiteit van de auteur nodig heeft.

Voor Carolina Klop steekt een katholiek vermoedelijk een kaarsje op, men bidt de rozenkrans. En als de schrijfster zichzelf heeft hervonden, zou het misschien heilzaam werken als ze eens de parochie van haar jeugd op zoekt om daar te biecht te gaan. Van tralievader naar Pater noster: de schrijfster zal misschien ooit het spoor terug durven volgen - met twee tabernakels vol.