De omgekeerde kennisparadox

'Ik vind dat een nog veel groter raadsel, waarom wij zo goedkoop zo goed zijn. Als je daar het antwoord op weet, heb je echt goud in handen'. Aldus de klinisch farmacoloog prof. Adam Cohen in het tijdschrift Mediator, december 2005. Dat goud trekt mij wel en ik ga een antwoord formuleren. 'Zo goedkoop zo goed' slaat op de biomedische wetenschap. Er gaat in Nederland relatief weinig geld in ('goedkoop'), maar het Nederlandse onderzoek doet het internationaal 'goed'. Bij citatie-analyses komt het Nederlandse medisch-biologische onderzoek altijd ver boven het gemiddelde uit. Wij horen, qua cijfers, bij de beste kinderen van de klas.

Voor onderzoekers met weinig geld voor onderzoek is dat frustrerend, maar 'zo goedkoop en toch zo goed', daar zijn politici dol op. Zuinigheid met vlijt bouwt huizen als kastelen, denken zij dan en snoeren de onderzoeksbroekriem nog een gaatje nauwer. Kennelijk gaan die onderzoekers betere proeven doen, als wij politici ze maar kort houden. Vandaar dat ik het eens ben met Cohen dat we die 'omgekeerde kennisparadox' moeten ontraadselen. Hoe weten Nederlandse onderzoekers met beperkte middelen zoveel hoogscorende kennis te genereren?

Dat komt, denk ik, omdat wij in Nederland het biomedisch onderzoek krachtiger hebben gesaneerd dan elders. Er zijn nauwelijks onvoldoendes meer over. Alles is 6 min of beter. Omdat internationale vergelijkingen naar gemiddelden kijken, ga je geweldig scoren als je de minder succesvolle onderzoeker geld onthoudt. Uiteraard pogen alle landen in de wereld hun geld alleen aan goed onderzoek te besteden, maar meestal komt daar door de versplintering van geldstromen niet veel van terecht. In Nederland is relatief veel financiering op nationaal niveau geregeld. Onderzoekers proberen allemaal uit die centrale ruiven te eten - universitair geld, NWO, het KWF, andere charitatieve fondsen. Scherpe competitie is het gevolg en wie geen stevige schouders heeft, wordt weggedrukt bij de subsidieruif en valt af.

Ik geef toe dat deze stellige conclusie niet op systematisch onderzoek is gebaseerd, maar op incidentele buitenlandse ervaringen. Neem Duitsland. Ook daar een centrale financieringsbron voor competitief fundamenteel onderzoek, de Deutsche Forschungs Gemeinschaft, maar universiteiten vallen onder provinciaal bestuur en er is een complex systeem van onderzoeksinstituten, zoals de Leibniz-instituten, die ook regionaal betaald worden. Al die lokale besturen zijn er vooral op uit om hun lokale instituten en universiteiten overeind te houden; het landsbelang is ver weg. Amerika is van hetzelfde laken een pak: het is moeilijk om onderzoeksgeld uit een centrale bron, de National Institutes of Health, te krijgen, maar er is een ruime stroom van lokaal en privaat geld, waarmee ook knullig onderzoek gefinancierd wordt.

De sanering van het zwakke onderzoek in Nederland heeft het mogelijk gemaakt om met minder geld meer te doen. Het peloton heeft een tandje bijgezet, de zwakke broeders zijn afgevallen, en de resterende ploeg rijdt harder dan de concurrentie, gemiddeld harder, maar met onmiskenbaar succes. De politici staan aan de kant en applaudisseren. Wat zij niet zien is dat de gemiddelde leeftijd van die flinke fietsers fors is opgelopen en dat zij defensief rijden. Door chronische bezuinigingen is er niet veel ruimte voor jonge onderzoekers; de mogelijkheden om zeer riskant onderzoek gefinancierd te krijgen zijn afgenomen; en ook gevestigde onderzoekers kunnen zich geen grote mislukkingen meer veroorloven, willen zij mee blijven fietsen in het onderzoekspeloton.

Vorig jaar was er zelfs een jaar lang helemaal geen geld voor het vrije onderzoeker-gestuurde biomedische onderzoek, een ramp voor jonge onderzoekers. NWO had te weinig geld, maar dat komt mede door de wildgroei van onderzoeksthema's en prioriteitsgebieden, die top-down worden opgelegd. Politici geven liefst geld voor concrete doelstellingen - minder Alzheimer, minder kanker - maar ze hebben geen benul van wat kan, waar de onderzoeksmogelijkheden liggen. NWO weert zich onvoldoende tegen die politieke druk. Ik heb het Strategisch Plan 2007-2010 van NWO gelezen en werd door diepe moedeloosheid overvallen. Hooggestemd, daar niet van. Er is ook een sectie 'Ruimte voor onderzoekers' , waarin vroom gepleit wordt voor het niet 'aan thema's gebonden, vrije' onderzoek. Die sectie beslaat minder dan één pagina. In de resterende dertig pagina's worden karrenvrachten aan prioriteitsgebieden, thema's en 'Nationale Researchinitiatieven'over de lezers uitgestort. 'Onderzoekers aan de leiband' had de strategienota van mij mogen heten.

Door al dat thema-onderzoek worden onderzoekers opgejaagd om van geldstroompje naar geldkraantje te hollen om hun emmertje te kunnen vullen. Dat kweekt handige jongens, geen briljante vernieuwers. Door de fixatie op trendy thema's en sexy prioriteitsgebieden, versmalt ook de basis van het biomedische onderzoek. Zelfs de moleculaire biologie en de biotechnologie, aangeprezen als banenmotor, kunnen het niet stellen zonder een stevig fundament van biologische basiskennis. Als niemand meer weet wat een schimmel is, of hoe een nier werkt, worden de poten onder het biomedische bouwwerk weggezaagd.

Een ander verontrustend symptoom is dat Nederlandse onderzoekers weinig publiceren. Onze artikelen zijn gemiddeld beter dan de buitenlandse, maar we publiceren minder per geïnvesteerde euro, althans volgens de Wetenschaps- en Technologie-Indicatoren 2005, van het NOWT (Nederlands Observatorium voor Wetenschap en Technologie). Het NOWT weet ook niet hoe dat komt. Vast nietomdat wij zoveel hogere salarissen betalen aan onderzoekers dan de Zwitsers. Ik denk dat het de bureaucratie is, in Nederland zwaarder opgetuigd dan elders, maar het blijft giswerk.

Volgens mij is de 'omgekeerde kennisparadox' dus door twee factoren ontstaan: We hebben de onvoldoende scorende onderzoeksprojecten gekapt, waardoor de gemiddelde internationale score van ons onderzoek omhoog is gegaan; en we teren op oude roem, zoals een farma-concern dat tijdelijk de winstgevendheid heeft opgevoerd door drastisch te snijden in de researchkosten. Efficiënter is het wetenschapsbedrijf niet geworden door al die bezuinigingen en aantrekkelijker voor jong talent al helemaal niet.

Mijn verklaring voor de omgekeerde kennisparadox verklaart ook nog een tweede paradox, namelijk de discrepantie tussen de fantastische citatiescores van het Nederlandse onderzoek en het bescheiden aantal grote ontdekkingen dat in Nederland wordt gedaan. Hoe kan dat? Waarom daalt er niet een milde regen van Nobelprijzen op ons neer? Waarom worden de medische faculteiten niet steenrijk door hun octrooien? Dat komt doordat wij weinig ruimte maken voor supertop onderzoek. Wij hebben weliswaar het zwakke onderzoek gekapt, waardoor de gemiddelde citatiescore van het Nederlands onderzoek omhoog is gegaan, maar we hebben daarnaast te weinig gedaan om de condities voor toponderzoek te creëren: door concentratie van talent en door dat talent meer armslag te geven. Wij hebben de moerassen wel gedempt, maar onvoldoende geïnvesteerd in uitkijktorens.

Dat is ook waarom er in mijn vakgebied zoveel Nederlands talent in het buitenland zit, in Amerika of in Zwitserland. Zelfs de Duitsers komen tegenwoordig langs met leuke banen zoals directeur van het Max Planck Instituut. Het is dat Nederlanders aan hun stekkie hangen, anders waren er al lang meer biomedische onderzoekers vertrokken.

Wat te doen? Om te beginnen moeten wij ons niet rijk rekenen met hoge citatiescores. Als wij 'zo goedkoop zo goed' zijn in Nederland, berust dat op sanering en versmalling van het onderzoek. Sanering is nuttig van tijd tot tijd, maar de versmalling heeft de basis van toekomstig onderzoek aangetast. 'Zo goed' hangt ook wel erg op de vijftigplussers; de dertigers komen moeilijker aan de bak dan toen ik zelf begon. Ophouden dus met bezuinigen. Daarnaast meer doen om riante centres of excellence op te bouwen, waarin goede onderzoekers worden gekweekt en zich thuis voelen, zodat ze niet naar het buitenland vertrekken. Met die octrooien komt het dan wel goed.