Werken

Mijn tv-toestel gaf een snik, een soort plofje, en bezweek.

Dat kwam slecht uit, want elders op de wereld waren ook plofjes te horen en, zoals gebruikelijk, rees meteen de vraag of de héle wereld eraan zou bezwijken. De kwestie smeekte om beelden, maar die kreeg ik dus niet meer.

De monteur was sneller ter plekke dan verwacht. Een kloeke man van weinig woorden die onverstoorbaar zijn gang ging. “Hoogspanning, zoiets“, zei hij, en hij begon het toestel te villen als een dood dier waarvan de ingewanden verwijderd moesten worden. “Even een onderdeel halen“, zei hij. Van het toestel was toen nog maar een loos staketsel over, bezaaid met losse schroefjes en moertjes.

Tien minuten na terugkomst had hij het karwei voltooid. Het toestel was weer een springlevend wezen dat geluiden en beelden uitstootte, opgestaan uit een bizarre schijndood. Van de hele operatie had ik niets begrepen.

“De rekening“, zei de monteur.

Die mocht er ook wezen: 110 euro. Was het dat nog wel waard geweest? “Natuurlijk“, zei de monteur, “u kunt nog wel tien jaar met die tv doen.“ Dus voorlopig geen flatscreen? “Welnee“, zei de monteur, “het beeld van die ouwe tv's is een stuk beter.“

Toen was hij weg. Maar hij liet een wolk van nuchtere ambachtelijkheid achter, die me aan het peinzen zette. De mensheid leek verdeeld in werkmensen en denkmensen. De werkmensen hadden weinig met de abstracties van de denkmensen. De werkmensen bakten brood, timmerden een tafel en maakten een tv. Dat bezorgde de denkmensen zo'n comfortabel bestaan dat zij zich gemakkelijker aan hun gedachten konden overgeven.

Ze hadden elkaar nodig, die twee categorieën, maar ze wisten weinig van elkaar. De denkmensen hadden een hogere status en een betere honorering, maar er bleef weinig van hen over als de werkmensen het lieten afweten. Andersom ook - maar de werkmensen werkten vaak harder en eensgezinder dan de denkmensen dachten.

Ik herinnerde me weer de stratenmakers die een complete, nieuwe straat aanlegden tegenover mijn huis. Het was een groepje van drie, vier mannen, steeds dezelfden. Ze begonnen in alle vroegte, als het nog schemerig was. Tot halverwege de middag werkten ze keihard, op handen, voeten en knieën. Dat ging met kracht, maar ook met grote precisie gepaard. Stoepranden mochten niet in hoogte verschillen, het plaveisel moest steentje voor steentje tot één groot patroon worden geschikt. Er kwamen machines aan te pas, tractoren, grijpers. Er werd, letterlijk en figuurlijk, voortdurend gewikt en gewogen. De werkmensen moesten ook denkmensen zijn.

Toen het straatje er weer als herboren bij lag, trok op een dag een merkwaardige stoet van een man of twintig voorbij. Eén van hen herkende ik, hij was de enige die werkkleding droeg. Hij bungelde achter de groep aan. Al die maanden had hij met zijn drie makkers aan die straat gewerkt. Nu werd hun werk gekeurd. Door die negentien denkmensen, gewapend met hun formulieren. Zij deden dat uiterst kritisch. Hier werd een keitje beklopt, daar een putje getest. Gelukkig, het geheel leek hun goedkeuring te kunnen wegdragen.

De werkman keek zwijgend toe. Hij dacht er het zijne van.